Blik op onze bossen van onderaf

Bostypen in Nederland. G.M. Dirkse. Wetenschappelijke mededeling nr. 208. Uitgeverij KNNV. 166 blz. Prijs ƒ 26,- + ƒ 4,50 verzendkosten. ISBN 90 5011 063 0 Te bestellen giro 13028. KNNV Utrecht. o.v.v. WM 208.

'Alweer een boek over Nederlandse bossen? Ja, omdat ik het leuk vond en er zin in had,' begint drs. Gerard Dirkse provocatief zijn voorwoord van Bostypen in Nederland. Dirkse is werkzaam bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Wageningen, maar is vooral een planten- en mossenkenner. Bossen bekijkt hij het liefst op zijn knieën.

Dat heeft grote gevolgen voor zijn classificatie van bossen. Bij de inventarisatie van bossen zijn 'bomen en struiken hoger dan twee meter buiten beschouwing gebleven. De reden daarvoor is dat de soortensamenstelling van de boomlaag en veelal ook die van de struiklaag in sterke mate door aanplant zijn bepaald. Aangeplante bomen en hoge struiken zijn voor een ecologisch gefundeerde classificatie niet interessant.'

Bostypen in Nederland is een uitwerking van de Vierde Bosstatistiek, een steekproef van 2000 opstanden, die werd uitgevoerd in 1985. Hierin werd een strikt aselecte procedure gevolgd om de kruidlaag te inventariseren. Zeldzame soorten, die je normaal moet opzoeken in dit land, kwamen hierdoor niet aan bod, evenmin als zeldzame bostypen. Alle terreintjes groter dan 0,5 hectare en breder dan 30 meter werden in de beschouwing betrokken. De kronenlaag van de bomen moet groter zijn dan 20 procent. Dirkse merkt op dat Nederland dan voor 10 procent bebost is.

Bosondergroei wordt bepaald door algemene soorten, niet door zeldzame. Sinds de jaren zestig zijn dat Bochtige smele (Deschampsia flexuosa) op arme zandgronden en Grote brandnetel (Urtica dioica) op de rijke gronden. Deze soorten zijn gaan domineren door de grote stikstofdepositie, afkomstig van het verkeer (NO) en de intensieve veehouderij (NH).

De inventarisatie heeft een tamelijk schokkende uitkomst. De klassieke plantengemeenschappen van de bossen, een enigszins subjectieve, maar toch algemeen aanvaarde indeling van bostypen, blijken in Nederland grotendeels verdwenen. Hooguit 10 procent van ons bos vertegenwoordigt een klassieke plantengemeenschap.

Bostypen in Nederland bevat nogal wat polemische passages gericht tegen andere onderzoekers. 'Omdat natuurbos in Nederland vrijwel niet meer voorkomt, beschrijven de gemeenschappen niet ons huidige bos, maar een ideaal bos in een (toekomstig) bijna onbewoond Nederland,' schrijft Dirkse. 'De ondergroei van veel van onze huidige bossen wijkt daar zo sterk af dat het floristisch indelingscriterium niet meer voldoende is voor een betrouwbare benoeming.' Andere onderzoekers gebruiken volgens hem 'een mengsel van floristische, bodemkundige en geografische criteria. Alle bossen blijven daardoor classificeerbaar.'

Met zijn boekje maakt Dirkse rauw een einde aan de illusie van de klassieke, op Duitse ideeën gegrondveste, opvattingen van onze bosgemeenschappen. Hierin werden typen als Wintereiken-Beukenbos en Essen-Iepenbos onderscheiden. Een hardhandig foto-onderschrift onder een dennenbos onderstreept zijn opvatting: 'De algemeenste vorm van het Zomereiken-Berkenbos (Betulo-Quercetum) is een ijl grove-dennebos boven een mat van Bochtige smele.'