Uitbreiding van Schiphol blijft maniakaal

De regering heeft besloten Schiphol te laten groeien tot een mainport, ofwel één van de vijf grootste luchthavens van Europa. Terwille van het milieu-decorum wordt het plafond van 50 miljoen passagiers teruggebracht tot 40 miljoen en heeft Den Haag ons verzekerd dat milieubehoud en expansie best kunnen samengaan. Nieuwe en verbeterde snelwegen, hoge snelheidslijnen naar Frankrijk en Duitsland, een vijfde landingsbaan en 1700 vliegtuigen per dag. Een eindje verderop in dezelfde Randstad moeten ook nog eens een miljoen woningen worden gebouwd. Maar dat is een 'ander' plan.

Deze maniakale ontwikkeling roept veel vragen op. Die van het milieubehoud is de eenvoudigste. Rapporten die bevestigen dat het milieu in de omgeving van Schiphol in tact blijft of niet verder wordt aangetast zijn er niet, ondanks pogingen van de Schipholdirectie en de overheid om dergelijke bewijzen aan de wetenschap te ontlokken. Nadere beschouwing leert dat de regering een dialectische truc toepast: in de toelichting die vrijdag werd gegeven wordt de resterende groene ruimte van de Randstad gemakshalve niet meer als milieuvoorraad gedefinieerd, en dus gaat er niets verloren. Het ziet ernaar uit dat alleen de directe geluidshinder nog als 'milieu' meetelt, ter compensatie waarvan de ferme beslissing is genomen om eerst veertig en later nog eens ongeveer vijfhonderd huizen af te breken. Zie eens hoe consequent wij zijn: Schiphol groeit, maar er worden beschermende maatregelen getroffen! De pijnlijkheid daarvan moet de ernst van de maatregel benadrukken.

De tweede vraag geldt de economische ontwikkeling van mobiliteit en transport. Anders dan de regering beweert, levert het transport geen positieve bijdrage aan 's lands rijkdom, integendeel. Volgens cijfers van het CBS en van de Europese Commissie draagt het transport zo'n 5 procent bij aan het Bruto Nationaal Produkt maar zijn de reële kosten ervan in Europa zo'n 4,7 procent van het BNP, en in dichte urbane gebieden zo'n 7,8 procent. Dit betekent dat transport- en mobiliteitsuitbreiding per saldo voor meer armoede zorgt, waarvoor elders in de samenleving gebloed moet worden (gezondheidszorg, onderwijs, uitkeringsgerechtigden.)

Omdat het nu gelanceerde megaplan (inclusief de Betuwelijn) zo ongeveer het symbool is voor 'het totale transport', betekent dat een nieuwe stap in de richting van verdere economische aftakeling, en dan is de leefbaarheid van ons land nog buiten beschouwing gelaten. Uiteindelijk moet iemand het gelag betalen van deze netto-verliezen. De overheid rekent op de private sector, die zich merkwaardigerwijs steeds weer verbindt aan deze mega-projecten, ondanks de uitblijvende rendementen. De verklaring hiervoor is te vinden in de gebruikelijke afwenteling van de reële kosten naar andere sectoren, en zolang die zich dat laten welgevallen blijven de investeerders komen. Het is vreemd dat de overheid dit proces in stand houdt, want daar komen die afwentelingen - en dus de verliezen - uiteindelijk toch bijelkaar.

Maar wat bezielt een overheid om dergelijke ruïneuze stappen te doen? De samenleving lijkt haar vermogen tot argumenteren, hoor en wederhoor te hebben verloren. Het is daarbij te simpel te wijzen op de onberekenbaarheid van de Vierde Macht, de ongecontroleerde snelle mannen van de ambtelijke top, zoals Crince le Roy hen in de jaren zeventig noemde. Evenmin is de hoofdrol en stijl van Maij-Weggen en de volgzaamheid van de Tweede Kamer een afdoende verklaring.

Ik houd het op de volgende factoren. Ten eerste wordt nog altijd niet begrepen dat natuur en milieu het hoofdsysteem vormen, waarvan de economie een subsysteem is, en niet omgekeerd. De randvoorwaarden voor iedere economische ontwikkeling worden bepaald door de voorraad natuur en milieu, inclusief alle hulpbronnen. Die voorwaarde wordt dwingender naarmate de materiële ruimte beperkter wordt, en daarom zullen op een dag de milieukosten, in de breedste zin van het woord, de winsten die gemaakt worden met de uitputting inhalen. De genoemde berekening van het transport is hiervan een bewijs, maar ook de landbouw draagt al geruime tijd alleen nog maar een netto verlies bij aan het nationaal inkomen.

Een bijkomende factor is het achtergebleven economische onderwijs, dat nog altijd door neo-klassieke theorieën wordt beheerst. Men gelooft daar tot het fanatieke toe in achterhaalde ideeën over groei, vrije markt, export en technologische ontwikkeling - clichés die in een scherp artikel in de Scientific American van november 1993 worden gehekeld. ('The Perils of Free Trade', door Wereldbank-econoom Herman E. Daly).

Het beetje milieu-economie dat in Nederland wordt onderwezen levert te weinig 'school' om opgewassen te blijven tegen de neo-klassiek geschoolden die in drommen de financiële instellingen en de overheidsbureaucratie bevolken. Een andere factor is een toevallige sociologische combinatie die de huidige macht bepaalt: de generatie uit de jaren zestig, voor wie de wereld openging en dus letterlijk onbegrensd bleek, zit nu op het rode pluche, gesecondeerd door de cynische derde yup-generatie, die zich 'footloose' waant en voor wie iedere verantwoordelijkheid eindigt bij het beeldscherm en de beurs. Samen dienen zij niet de economie maar de profijtonomie, en dat is heel wat anders. De overheid als pseudo-staatsonderneming zonder correctie van markt, van kennis en protest, dat is het uiteindelijke resultaat. Een Sovjet-model.

In lijn hiermee zie ik als factor de verlamming en de verdeeldheid van de milieubeweging, inclusief de milieu-overheid, die zich hebben gefixeerd op ontelbare hoofd- en bijzaken in plaats van zich te concentreren op de kern, en dat is de relatie tussen milieu en groei, die drastisch verandert naar de mate van de uitputting van de hulpbronnen en de verzadiging van de produktie. In de zogeheten Zwarte Driehoek van Europa, tussen Dresden, Karlsbad en Katowice liggen de dode landschappen van Silezië en het Ertsgebergte, doorsneden met honderden kilometers open bruinkoolgroeven. Saurische machines graven het landschap af voor zwavelrijke bruinkool ten behoeve van elektriciteitscentrales, waarvan de elktriciteit dient ter voeding van hoogovens en staalfabrieken, alwaar men de machines bouwt voor de afgraving van het landschap. Hier ligt Absurdistan, schrijft Vaclav Havel. Systeemtheoretisch moet er een netto produkt overblijven - en dat is ook zo: het vernielde landschap. Nederland is een kolonie van Absurdistan geworden, waar zelfs de milieuboodschap van de koningin is vergeten.