Teister Centraal-Europa niet met nieuwe afkooppolitiek

Appeasement in de zin van een kortzichtige afkooppolitiek blijkt een plaag in de wereldgeschiedenis, van Hannibal in de Romeinse tijden tot Chamberlain in 1938. Later liet het Westen de Sovjets hun gang gaan in Midden-Europa. Volgens de Hongaarse minister van buitenlandse zaken Jeszenszky mag het Westen - nu er in deze regio sprake is van een veiligheidsvacuüm - deze fout niet herhalen door Hongarije toegang tot de NAVO te onthouden.

Volgens de Hongaren was 1956 ook een zeer duidelijk geval van appeasement. Ik was 15 jaar toen de Sovjet-invasie begon, op 4 november 1956, en net als vele anderen ging ik ervan uit dat het niet erg realistisch was te verwachten dat het Westen ons door een interventie te hulp zou komen. Maar sinds enkele dagen was Hongarije veranderd in een democratie, met Imre Nagy als premier van een vier-partijencoalitie. Dus tussen 29 oktober en 3 november was er sprake van een soort westerse appeasement-politiek, daar het wellicht mogelijk zou zijn geweest de Sovjet-interventie te voorkomen met een scherpe waarschuwing van de VS of een krachtig optreden van de VN.

Uit de wereldgeschiedenis blijkt dat er maar een heel smalle marge bestaat tussen een aanbod van vriendschap (of zo men wil partnerschap) of een verzoek om rampspoed door te veel uit handen te geven zonder garanties voor fatsoenlijk gedrag van de andere partij. Menigeen herinnert zich nog wat Churchill zei na de conferentie van München: Engeland, zei hij, had de keus tussen schande en oorlog. “Het koos de schande, en het zou oorlog krijgen.”

Met de veranderingen van 1989-'90 kreeg de wereld een ongekende kans om tal van oude dromen in vervulling te doen gaan. Thans bestaat er algemene overeenstemming dat er in Midden-Europa een veiligheids-vacuüm bestaat. Er ligt een niemandsland tussen de NAVO en de Europese Unie enerzijds en de Oekraïne en Rusland anderzijds. Twee jaar geleden dachten de Visegrád-landen van Midden-Europa nog dat het misschien het beste zou zijn als de Europese Gemeenschap ons zou toelaten, zoal niet noodzakelijkerwijs tot het volledig lidmaatschap, dan toch tot de interne markt, als partners. Onze tradities en geschiedenis, evenals ons gedrag de afgelopen vier jaar, rechtvaardigen dat.

Maar meer recent is duidelijk geworden dat het lidmaatschap, hoewel het ons is toegezegd op de EG-topconferentie van Kopenhagen in 1993, nog zeer veraf is: sommigen spreken over het eind van de eeuw, terwijl de Franse president Mitterrand het heeft gehad over een termijn tot ruimschoots in de volgende eeuw. Mensen die genoeg hadden van de oude, communistische vijfjarenplannen kunnen nu niet akkoord gaan met een tienjaren-, laat staan een vijftienjarenplan.

De ervaring met de oorlog in het voormalige Joegoslavië heeft velen aan het denken gezet over de eigen veiligheid op dit moment, en de Midden- en Oosteuropeanen zoeken die binnen de NAVO. We weten dat het lidmaatschap van de Europese Unie of de NAVO geen oplossing zou bieden voor alle interne en externe problemen van Midden- en Oost-Europa; we weten ook dat het meeste werk moet worden verzet door deze landen zelf. Maar om onze economie en staatsinrichting op orde te brengen hebben we stabiliteit nodig, bescherming tegen dreigingen van buitenaf en een helder vooruitzicht op het lidmaatschap van deze instellingen.

Het was niet onze schuld dat we in 1949 niet zijn toegetreden tot het verdrag van Washington waarbij de NAVO werd opgericht, of tot het Verdrag van Rome waarbij in 1957 de Europese Gemeenschap tot stand kwam. Ik ben er zelfs heel zeker van dat, als destijds de Hongaarse volkswil de doorslaggevend was geweest, Hongarije niet alleen een solide democratie zou zijn geworden, maar ook tot beide verdragen zou zijn toegetreden.

De mensen in de gewezen communistische landen hebben al zeer veel leed doorstaan en thans verlangen zij de garantie dat ze niet opnieuw buiten de deur worden gehouden, en in de steek zullen worden gelaten zoals in 1945, 1956, 1968 en 1981. De reden dat Hongarije en de andere slachtoffers van de communistische utopie zich willen aansluiten bij de NAVO en de WEU of andere organisaties die het gezamenlijke Europese erfgoed vertegenwoordigen, is niet dat we gezamenlijk front willen maken tegen derden, maar dat we gezamenlijk willen werken aan de Europese utopie die steeds vaster vormen begint aan te nemen.

De landen in Midden- en Oost-Europa willen niet tot een soort condominium worden, beschermd door onze buren in oost en west. We kunnen niet akkoord gaan met het denkbeeld van een nieuwe 'Grote Alliantie', ditmaal tussen de NAVO en Rusland - het uitspreiden van een paraplu waaronder we kunnen schuilen. Dat zou rieken naar de mentaliteit uit de Tweede Wereldoorlog of uit de laatste fasen van de Koude Oorlog.

Om terug te keren tot de les die de appeasement ons heeft geleerd: we moeten voorzichtig zijn. Er zijn gevaren, die weliswaar af te wenden zijn, maar als we geen lering uit de appeasement trekken, dreigt onze hoop opnieuw de bodem te worden ingeslagen. Als de westerse instellingen het veiligheidsvacuüm in Midden-Europa niet opvullen, zullen anderen dat maar al te graag doen.