Rentevisie niet vrijblijvend

De Rabobank voorziet dat de kapitaalmarktrente de daling van de korte rentetarieven volgend jaar slechts even volgt, om vervolgens te stijgen naar rond 6 procent aan het eind van het jaar. De Rabo wijkt hiermee af van de gangbare mening in de bancaire wereld. De Rabo-visie over de rente heeft, als hij juist blijkt, vergaande gevolgen voor de banken zelf, de overheid, consumenten, bedrijven en beleggers.

Voor het bankbedrijf is de visie op rentebewegingen een essentieel onderdeel van de strategie. De balans van een bank is een samenspel van verplichtingen en uitzettingen op de korte en de lange termijn. Het verschil (de spread) tussen de kosten van aangetrokken en de baten van uitgeleend geld bepaalt voor een belangrijk deel de rentewinst van de bank. Door de zware concurrentie, het efficiënter worden van de kapitaalmarkt en het feit dat bedrijven daar de laatste tijd zelf ook goed de weg weten, zijn deze inkomsten de laatste jaren geslonken.

Een steeds belangrijker deel van de rentewinst zit hem in de mismatch tussen bij voorbeeld lange verplichtingen en korte uitzettingen, en het karakter en de looptijd van de rente waartegen het eigen vermogen formeel is uitgezet. Voor de bank is het steeds meer zaak om juist deze balansposten zo gunstig mogelijk uit te spelen. Daarin zit een gok-element, en zijn betrouwbare voorspellingen van cruciaal belang. De afdeling bij banken die zich bezighoudt met fundamenteel onderzoek naar rente-ontwikkelingen ressorteert dan ook rechtstreeks onder de raad van bestuur. De rente-visie van Rabo is dus geenszins zo vrijblijvend als een tiende procentje economische groei meer of minder.

In grote lijnen komt de Rabo-prognose van de rente-ontwikkeling overeen met die van de andere grootbanken en nationale en internationale economische instituten: de korte rente wordt in Nederland volgend jaar lager dan de rente op langlopende leningen. Deze 'normale rentestructuur' was er de afgelopen jaren niet. Slimme banken profiteerden daarvan bij het bepalen van hun 'mismatch', en zijn gaandeweg ook al op de nieuwe situatie voorbereid.

Wat bij de Rabo afwijkt is dat in tegenstelling tot de consensus de bank verwacht dat de kapitaalmarktrente de daling van de korte rentetarieven slechts even volgt, om vervolgens te stijgen. Rabo kijkt daarbij naar Duitsland, dat bepalend is voor de Nederlandse rente-ontwikkelingen. Ook daar doet zich volgens de bank een soortgelijke ontwikkeling voor in 1994.

De afwijking van de Rabo-voorspelling kan tot gevolg hebben dat de drie Nederlandse grootbanken hun balansen dit en volgend jaar op een afwijkende manier gaan inrichten, met alle gevolgen voor de winstontwikkeling.

Ook buiten de bank heeft de prognose, als die juist blijkt te zijn, vergaande consequenties. Het Nederlandse bedrijfsleven is voor het grootste deel met langlopende leningen gefinancierd, en de kosten van vreemd vermogen kunnen, na drie jaar te zijn gedaald, weer oplopen. En dat heeft zijn weerslag op de kracht en de tijdsduur van het economisch herstel.

Grote invloed kan een oplopende kapitaalmarktrente hebben op de huizenmarkt. De forse prijsstijging van woningen in Nederland (dit jaar gemiddeld alleen al circa 12 procent) is de laatste drie jaar gedragen door de teruglopende kosten van woningfinanciering. De hypotheekrente hangt voor het grootste deel samen met de al drie jaar lang dalende rente op langlopende leningen op de kapitaalmarkt. De boom op de huizenmarkt zou bij een stagnatie of zelfs stijging van de rente met een schok tot stilstand kunnen komen. En of - wanneer de kapitaalmarktrente niet langer daalt - minister Kok kan blijven rekenen op de massale belangstelling van buitenlandse beleggers voor Nederlandse staatsleningen, is uitgaande van de Rabo-voorspelling plots onzeker geworden.