'Kraken is veel zwaarder dan toen'

De Amsterdamse politie ontruimde maandag een aantal kraakpanden. Nog steeds wordt er in de hoofdstad bijna dagelijks gekraakt. Maar het Grote Kraken is veranderd. “We zijn misschien meer een subcultuur geworden.”

AMSTERDAM, 21 DEC. Af en toe de zachte plof van een verfbom op de stenen. Verder is het stil rond de Nieuwezijds Kolk. Zes pelotons Mobiele Eenheid hebben de omgeving hermetisch afgesloten. Zwaailichten weerkaatsen in de ruiten, terwijl een shovel zich met kleine hapjes een weg door de barrikade eet.

Een haastig bouwwerk van fietsenrekken, huisraad, een oude meterkast verspert de ingang van de Dirk van Hasseltsteeg. “Vroeger gebruikten ze die spullen om het pand te barikaderen”, zegt een oudere ME'er met de punt van zijn traangaspistool in de lucht. “Nu leveren ze het blijkbaar gelijk leeg op.”

Ontspannen leunt hij met zijn collega's tegen de grote waterwerper die nog nadrupt van het blussen van een stapeltje autobanden.

Achter de ramen zijn de schaduwen te zien van de jonge krakers die sinds twee jaar het zogeheten 'Kolk-komplex' bewonen. Een wirwar van monumentale maar verkrotte panden die nu moeten wijken voor de moderne stad. “Een kwalitatieve toevoeging aan het centrum”, noemt projectontwikkelaar Ed ten Voorde van de ABN-Amro bank de plannen voor de bouw van een parkeergarage, een viersterrenhotel, winkels, kantoren en veertig luxe appartementen op deze plek.

Die middag zaten Peter (23) en Francien (19) voor het laatst aan de tafel in het pand waarom hun leven de afgelopen jaren heeft gedraaid. Een doorgesneden pompoen, een pot biologische pindakaas en een allesbrander die meer rook de kamer injaagt dan er uit de schoorsteen komt. “Ik heb nooit de illusie gehad dat we dit konden winnen”, zegt Francien terwijl ze de regen op de vermolmde daken ziet vallen. “Het was een uitzondering dat we hier zo lang konden blijven. Tegenwoordig is het reëel dat je er zo weer uit ligt.” De leegstandswet, de jurisprudentie, de kraakervaring van de politie, het is allemaal zoveel moeilijker dan vroeger. Panden worden niet meer aangekocht door de gemeente met krakers er nog in, zoals eerst. In de sociale woningbouw zit al jaren de klad, en studenten- of jongerenhuisvesting heeft geen prioriteit.

'Geen ontruiming Kolk voor yuppies'. Buiten, op de muren en schuttingen van de stegen prijken de kleurige leuzen van de beweging. Binnen de tekenen van een dagelijks leven dat spartaans genoemd kan worden. Mossige truien, gescheurde broeken in dikke lagen over elkaar. Als dwangarbeiders lopen de jongeren door de ruimte. Hout hakken voor de kachel, water tappen.

“Je raakt met zo'n ontruiming ook je overleving kwijt”, zegt Francien. Ze vertelt over het systeem van 'automatische nivellering' dat in veel krakersgroepen bestaat. Steeds meer jongeren zitten zonder geld. Bezuinigingen op de studiefinanciering, op de bijstand en huursubsidie. Degenen die iets hebben, delen met wie niets heeft. Zo mogen in het dagkafé aan de Nieuwezijds Kolk de echte have-nots het statiegeld ophalen van de van de anderen. Bij inlevering van acht lege flesjes krijgen ze een gratis pilsje. En verder zijn er de mogelijkheden van de grote stad: groente rapen op de markten, oud brood halen bij de achterdeur van de bakker. “Het leven is veel harder dan vroeger”, zegt Francien.

Zij kwam naar de stad om te studeren. Kraken was de enige mogelijkheid om te wonen. “Wat moet je anders. Terug naar je ouders in het dorp?” En langzaam groeit de overtuiging: je brengt een bouwval weer tot leven. Je maakt vloeren en goten, en zet er weer daken op. Je verzet je tegen nieuwe kantoren; weer een luxe hotel waarvan de bezettingsgraad toch niet hoger ligt dan dertig procent. Maar de maatschappij is er niet meer voor jou. “Als ik hier naar buiten stap en ik zie die hele consumptiestraat”, zegt Peter. “Dan is hun wereld gewoon de onze niet. En er is niemand die naar je ideeën luistert”

Op de hoorzitting van de gemeente weerlegt de advocaat van de ABN-Amro één voor één de argumenten die door bewoners- en belangenorganisaties tegen de plannen zijn ingebracht. Na twintig jaar verpaupering en verkrotting heeft de gemeente plotseling grote haast om het project erdoor te jagen. Bestemmingsplannen worden aangepast. Adviezen van monumentenzorg herzien. Sloopvergunningen afgegeven, nog voordat de bouwvergunning er is. In de zaal zitten wat krakers. Stil, viltig, uit hun baan geraakt.

De argumenten lijken er niet meer toe te doen. Niet voor de gemeente, niet voor de krakers. “We kunnen onze rekeningen bij ABN-Amro opzeggen. Maar daarvan merken ze toch niets.” Op hoge schoenen loopt hij weg, terug naar zijn wereld, zijn eigen mensen. De rest van de wereld koud en vijandig. Wanneer een lid van de 'persgroep' een journalist een verklaring komt brengen, kan deze met een schielijk gebaar worden teruggetrokken: “Ik denk niet dat ik hem aan jou moet geven. Want jij bent niet okee.”

Wij-zij. Ook tegenover de buurt gelden deze criteria. Wie niet met ons is, is tegen ons. “Ik ben banger voor die krakers dan voor de junks”, zegt een corps-meisje in een pand van de studentenvereniging aan het begin van de Dirk van Hasseltsteeg. En dan die punkconcerten. Van de nieuwe plannen voor het gebied had ze nog niet gehoord. Maar als het waar is dat hier straks een hotel komt, vindt ze dat een 'suffe actie': Je hebt hier al zoveel lege hotels. Als je toch geld uittrekt, bouw er dan huizen mee. Doe iets voor de mensen.” Ja hoor, dat vindt ze echt.

“Uitvreters”, “stenengooiers”, “tuig”. Dat is het beeld dat krakers bij veel mensen oproept. Gevormd in de jaren van de grote kraakrellen rond het kraakpand Groote Keyser en de Vondelstraat. Maar inmiddels woont een andere generatie in de kraakpanden in de stad. Een generatie jongeren die in de afbraak van de sociale zekerheid en de jongerenvoorzieningen is opgegroeid. De dogma's en intolerantie waaraan de beweging van de jaren tachtig ten onder ging zijn hen vreemd. Hun verfzakjes tegenover het 'stenen-fetisjisme' van veel oudere krakers.

Het is de trieste paradox van de nieuwe krakers. Aan de ene kant is er het beeld van de oude beweging dat hun identiteit verschaft. Aan de andere een sociale en politieke situatie die in geen enkele opzicht meer is te vergelijken met de vroege jaren tachtig. Zo hebben ze eerder de positie van drop-out gekregen, dan van een brede beweging. “Misschien zijn we wel gewoon een subcultuur” zeggen Peter en Francien.

Bleek en vermoeid kijken ze twee dagen na de ontruiming toe hoe een gele hijskraan met grote grijpvingers hun pand aan stukken rijt. “Dit was een monument”, roept Francien. “Er is geen sloopvergunning en toch doen ze dit! Dan kun je wel zeggen, die krakers altijd 'nee' als het om hun eigen pandjes gaat. Maar dit mág toch niet?”