Gelijke behandeling

In aanvullende pensioenregelingen hebben mannen en vrouwen recht op gelijke behandeling. Over dit principe is geen discussie mogelijk. De exacte reikwijdte van de verplichting tot gelijke behandeling is echter niet zo duidelijk.

De gelijke behandelingsverplichting is gebaseerd op artikel 119 van het EEG-Verdrag, waarin het recht op gelijk loon van mannen en vrouwen vastligt. In zijn rechtspraak heeft het Europese Hof van Justitie te Luxemburg uitgemaakt dat ook uitkeringen uit een aanvullende pensioenregeling als loon in de zin van artikel 119 zijn te beschouwen. De gemoederen in de pensioenwereld werden de laatste jaren vooral beziggehouden door de vraag naar de werking in tijd van de verplichting tot gelijke behandeling. Anders gezegd: welke mate van terugwerkende kracht heeft artikel 119? Dit is van groot belang omdat veel pensioenregelingen in het verleden ongelijke voorwaarden kenden voor mannen en vrouwen. Zo kwam het regelmatig voor dat vrouwen waren buitengesloten van deelneming in de pensioenregeling of dat voor vrouwen een andere pensioenleeftijd gold dan voor mannen. Brengt artikel 119 EEG-Verdrag nu mee dat de ongelijke behandeling uit het verleden met terugwerkende kracht moet worden goedgemaakt, of kan worden volstaan met de gelijke behandeling slechts voor de toekomst. De vraag hierover was ontstaan door het befaamde en beruchte Barber-arrest van het Hof van Justitie van 17 mei 1990. Toen besliste het Hof dat mannen en vrouwen vanaf 17 mei 1990 aanspraak hebben op gelijke pensioenrechten. Het was echter niet duidelijk of het Hof hiermee bedoelde dat er aanspraak bestaat op gelijke pensioenuitkeringen (terugwerkende kracht), danwel slechts op gelijke opbouw (alleen voor de toekomst). Het toekennen van terugwerkende kracht zou financieel-technische problemen kunnen veroorzaken omdat de opbouw van en premiebetaling vóór aanvullende pensioenrechten geleidelijk in de loop van de diensttijd plaatsvindt. Hierdoor zouden bij terugwerkende kracht rechten ontstaan, zonder dat premie is betaald.

Dit argument heeft bij het Hof van Justitie EG gehoor gevonden. Op 6 oktober 1993 besliste het Hof in de zaak Ten Oever dat op artikel 119 EEG-Verdrag slechts een beroep kan worden gedaan teneinde gelijkheid van behandeling op het gebied van aanvullende pensioenen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van diensttijd gelegen na 17 mei 1990. Vorige week - op 14 december - bevestigde het Hof deze opvatting in het arrest Moroni voor een Duitse pensioenregeling. Met betrekking tot diensttijd gelegen vóór 17 mei 1990 mag ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in pensioenregelingen dus gehandhaafd blijven.

Hiermee is een belangrijk discussiepunt opgelost. Niettemin blijft nog een aantal vragen openstaan. Bijvoorbeeld de vraag of binnen een overgangsregeling de ongelijkheid in pensioenregelingen ook voor diensttijd na 17 mei 1990 blijven bestaan? Een aantal pensioenregelingen heeft reeds in het verleden de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen rechtgetrokken. Bij wijze van overgangsmaatregel en mede ter bescherming van verkregen rechten, werd daarbij nogal eens aan vrouwelijke werknemers de keuzemogelijkheid geboden om in de 'oude' ongelijke pensioenregeling te blijven deelnemen. Dit speelde met name ten aanzien van pensioenregelingen waarin de pensioenleeftijd voor vrouwen 60 jaar was en voor mannen 65 jaar. Strikt gezien kan deze ongelijkheid voor tijdvakken van arbeid na 17 mei 1990 niet gehandhaafd blijven. Zou evenwel de omstandigheid dat er sprake is van een overgangsmaatregel een uitzondering op de gelijke behandelingsverplichting kunnen rechtvaardigen?

Een andere vraag is of er in pensioenregelingen nog rekening gehouden mag worden met voor mannen en vrouwen verschillende actuariële factoren? Aangezien vrouwen gemiddeld gezien langer leven dan mannen, zijn de kosten voor een ouderdomspensioen voor vrouwen - ook weer gemiddeld - hoger dan voor mannen. Is het toegestaan om hiermee rekening houdend aan vrouwen hetzij een hogere premie in rekening te brengen, danwel een lager pensioen te betalen? Over deze twee vragen - de overgangsmaatregel en de actuariële factoren - lopen op dit moment procedures bij het Hof van Justitie EG en in de loop van 1994 zijn hierover uitspraken te verwachten.

Een andere belangrijke vraag houdt verband met ongelijke franchises. De franchise is het deel van het salaris dat bij de berekening van het aanvullend pensioen buiten beschouwing blijft, omdat de AOW geacht wordt daarin te voorzien. De AOW kent verschillende uitkeringen afhankelijk van de burgerlijke staat van personen en het is de vraag of dit mag doorwerken in aanvullende pensioenregelingen. Ter verduidelijking: de AOW voor een alleenstaande is lager dan de AOW voor een gezin. Indien men aan werknemers inclusief de AOW een gelijk ouderdomspensioen wil betalen, zal het aanvullende pensioen voor alleenstaanden hoger moeten zijn dan voor een gezin, teneinde aldus de lagere AOW voor deze alleenstaanden te compenseren.

Een uitspraak van het Hof van Justitie EG van 9 november 1993 in de Britse zaak Birds Eye Walls biedt hiervoor wellicht een opening. Het ging in die uitspraak om een overbruggingspensioen, te betalen vanaf de leeftijd van 60 jaar. Dit overbruggingspensioen was voor mannen hoger dan voor vrouwen, uitsluitend als gevolg van het feit dat het wettelijke staatspensioen in het Verenigd Koninkrijk voor vrouwen al op 60 jaar ingaat, maar voor mannen pas op 65 jaar. Het Hof oordeelde dat dit verschil ten aanzien van het recht op een wettelijk pensioen een zodanig onderscheid in objectieve uitgangssituatie tussen mannen en vrouwen meebrengt, dat het betalen van een verschillend overbruggingspensioen geen discriminatie is. Door het verschil in wettelijke positie waren mannen en vrouwen voor de betaling van een overbruggingspensioen niet als gelijke gevallen te beschouwen. Deze uitspraak toont aan dat de verplichting tot gelijke behandeling niet tot een abstracte uniformering hoeft te leiden. Een op zakelijke en objectieve gronden gebaseerd onderscheid levert geen strijd op met de gelijke behandelingsverplichting.