Europese hulp voor scheepsbouw blijft

BRUSSEL, 22 DEC. De Europese Commissie handhaaft voor 1994 het plafond van negen procent overheidssteun aan de scheepsbouwsector.

Commissaris Karel van Miert (concurrentiezaken) vindt het niet verantwoord de staatssteun op dit moment verder in te perken terwijl de concurrentie uit landen buiten de Europese Unie toeneemt en er bij hen geen bereidheid bestaat de Gemeenschap te volgen in het afbreken van het subsidieregime. Sinds 1987 is het plafond van de nationale hulp aan scheepsbouwers onder druk van Brussel afgenomen van 28 procent tot 9 procent van de prijs van een schip. De Commissie wilde eigenlijk dat deze steunverlening begin 1995 geheel zou worden gestaakt. De onderhandelingen met de OESO (de organisatie van 24 rijkste landen) over een gelijklopende vermindering van de staatssteun in alle lidstaten, zitten echter in het slop. Tegelijkertijd neemt de concurrentie uit de voormalige Sovjet-republieken en andere Oosteuropese landen toe en ook de druk vanuit de staten met wie de Unie een Europese Vrijhandels Associatie heeft gevormd wordt groter. Daarnaast blijven de traditionele concurrenten van de Gemeenschap, de Verenigde Staten, Japan en Korea, onverminderd vechten voor een groter marktaandeel. De handhaving van het subsidieregime van negen procent geldt voor nieuwbouw van grotere schepen. Voor de bouw van kleinere boten die minder kosten dan ongeveer 22 miljoen gulden en voor de aanpassing van schepen, geldt een maximumsubsidie van 4,5 procent. Het plafond kan echter tussentijds naar beneden worden bijgesteld als er met de OESO alsnog overeenstemmig wordt bereikt, aldus Van Miert.