Doden van neushoorns in Kenia is 'economische sabotage'

NAIROBI, DEC. Tien jaar geleden overheerste de vrees dat de neushoorn in Kenia in korte tijd zou uitsterven. Het aantal was in zeven jaar teruggelopen van een geschatte 2100 tot 680 exemplaren. De neushoorn zou een legende worden.

Er valt nu een succesverhaal te vertellen. Volgens de laatste gegevens van de milieuorganisatie van de Verenigde Naties, UNEP, nam in Kenia sinds 1986 het aantal toe van 340 tot 420. Esmond Bradley Martin, die een wereldwijde actie voert voor de bescherming van de neushoorn, noemt Kenia “het grootste succesverhaal in de wereld voor het behoud van de neushoorn”.

De Keniase regering verklaarde in 1989 de oorlog aan de stroperij en zond duizenden soldaten de bush in. Ongeveer 70 stropers werden in enkele maanden gedood, enkele soldaten en onschuldige burgers verloren het leven door kogels van de goedbewapende stropers. De regering ontbond het ministerie van wilde dieren en stichtte het semi-staatsbedrijf de Kenyan Wildlife Service (KWS). Aan het hoofd van de KWS kwam te staan de blanke Keniaan Richard Leaky.

Het ontbonden ministerie bleek inefficiënt en ambtenaren waren betrokken geraakt bij de stroperij. De enorme financiële belangen die zijn verbonden aan de stroperij zouden hervorming van het ministerie welhaast onmogelijk hebben gemaakt. De oprichting van de KWS en de benoeming van de buitenstaander Leaky bleken een meesterzet. De KWS mag zijn inkomsten uit de toegangskaartjes voor de wildparken behouden en herinvesteren.

Leaky stelde zich bekwaam en professioneel op binnen de KWS, ongehinderd door zijn blanke achtergrond voor stam- en familiebelangen. Van de regering kreeg hij het groene licht om snel schoon schip te maken en hij ontsloeg honderden corrupte ambtenaren. Het toerisme, Kenia's belangrijkste bron van inkomsten aan harde valuta, was in gevaar gekomen door de stroperij. Leaky houdt geen ontroerende verhaaltjes over prachtige olifanten en neushoorns in de ongerepte natuur. Hij onthoudt zich van moralisme en spreekt over stroperij als 'economische sabotage.'

De overheid moest drastische maatregelen nemen. Niet alleen wilde dieren waren doelwit geworden maar in toenemende mate ook de toerist zelf. Bandieten beroofden hen in de bush van camera's en geld en in incidentele gevallen ook van hun leven. In de talrijke wildparken zijn nu permanent para-militaire eenheden gestationeerd om beest en toerist te beschermen. Zij volgen een 'shoot to kill' politiek, op iedere vermeende stroper wordt onmiddellijk geschoten. De zwakke schakel in dit nieuwe veiligheidsbeleid vormt de financiering. Volgens de KWS dient het aantal bewapende wildwachters te worden verdubbeld om efficient te kunnen optreden, en daar bestaan geen fondsen voor.

Echt wild zijn de neushoorns al nauwelijks meer. De beste kans om het beest te aanschouwen is in het Nairobi Nationale park, een groot wild gebied op slechts vijftien minuten rijden afstand van het centrum van de Keniase hoofdstad. De overheid zette de neushoorns in dit wildpark uit. Zo dicht bij de stad blijkt de kans op stroperij klein en daarom vermijden de beesten niet angstvallig de mensen. Drie kwart van de 420 zwarte neushoorns en alle 80 witte neushoorns leven nu in met hekken afgezette reservaten, waarvan de meeste in privé-bezit zijn.

Het slechte nieuws voor de neushoorn en toerist komt uit zuidelijk Afrika. Zimbabwe herbergde tot voor kort de meeste neushoorns, in het bijzonder in de Zambezi-vallei grenzend aan Zambia, maar de neushoornpopulatie loopt daar snel terug. De Zimbabweanen geven de Zambianen de schuld. Zambiaanse stropers komen illegaal de oncontroleerbare grens over, schuilen in de uitgestrekte bush van de vallei om na enkele dagen met hun gestroopte waar naar Zambia terug te vluchten. In de laatste jaren schoten Zimbabweaanse wildwachters 150 Zambiaanse stropers dood, desondanks liep het aantal neushoorns terug van 2000 in 1989 tot onder de 400 nu.

Het effectief controleren van de soms gigantisch grote wildparken blijkt uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk. Corrupte Afrikaanse politici en zakenlui en Aziatische diplomaten bieden hoge bedragen voor de rinohoorn en voor het ivoor van de olifanten aan arme Afrikanen, die bereid blijken daarvoor hun leven te wagen.

Het bestaan van een wildwachter is gevaarlijk en zwaar. Hij verkeert soms weken in de bush, drinkt water uit de rivier en slaapt onder een boom. De kosten van de mini-oorlogen tegen stroperij lopen hoog op. “We vechten een oorlog en voor een oorlog kan je geen begroting maken”, verzuchtte een hoge Zimbabweaanse wildwachter onlangs.

Experts onderstrepen dat op de lange termijn alleen de aanpak van de internationale handel in produkten van wilde dieren en een toenemend milieubewustzijn onder Afrikanen, de olifant, neushoorn en andere bedreigde diersoorten kunnen redden van hun ondergang. In Oost- en Zuidelijk Afrika begonnen de Britse kolonisten al vroeg aan bescherming van wilde dieren. In Kenia richtten zij in 1957 de eerste 'Wildlife society' op.

In Oost Afrika, waar de landschappen en de wilde dieren het spectaculairst zijn, is nu 17 procent van alle grond exclusief gereserveerd voor wildparken. De bevolking toont zich in toenemende mate doordrongen van het nut van wilde dieren, hun bescherming is niet meer louter een zaak die onder blanken leeft.

In het Franstalige West-Afrika bekommerden de kolonisten zich minder om wilde dieren. In Ivoorkust werd de eerste wildlife society pas in 1981 opgericht. In francofoon West-Afrika blijkt slechts 5 procent van het grondgebied bestemd voor wilde dieren. Olifanten, neushoorns, buffels en giraffen komen er nauwelijks meer voor. Wildwachters tonen er met trots aan de toerist een olifantendrol in het wild, en daarmee is de safari ten einde gekomen. Toen de Ivoriaanse regering enkele jaren geleden een wildpark stichtte, moest ze daarvoor olifanten importeren uit Zuid-Afrika.