Belangen

Een krimpende arbeidsmarkt maakt mensen bang en bevangen, en dat is slecht voor de vrijheid van doen en denken.

Maar was het denken zoveel vrijer in de zorgelozer jaren zestig, toen we nog leefden in de gemoedsrust van de verzorgingsstaat? Was er toen een bloei van theorieën, van creatieve gedachten, van opzienbarende denkbeelden? Als ik kijk naar de sociologie en vooral naar het door haar sterk beïnvloede progressieve denken uit die tijd, valt dit bij nader inzien eigenlijk nogal tegen. De grote inspiratiebron voor de Amsterdamse sociologie was het werk van een tachtigjarige socioloog, Norbert Elias, die zijn belangrijkste boek al in 1939 had geschreven. Zo er verder aan theorievorming werd gedaan vertoonde deze een zekere armetierigheid: het marxistisch denken beleefde een ongekende revival, er kwam veel oog voor de materiële belangen van de gevestigden, en hun woorden werden tot ideologie gedegradeerd. In de hoogtijdagen van de verbeelding aan de macht werden in de sociologie ideeën en idealen vooral bezien als vermomde belangen, afgezien dan van de eigen idealen. Of het nu ging om het verklaren van oorlogen of van idealistische opvattingen binnen professies: men groef door tot een belang was gevonden. Eigenbelang of groepsbelang, welbegrepen of aan het zicht onttrokken: belang was de sleutel, de rest was mooispraak. De triomf der ontmaskering heeft jarenlang het progressieve denken in zijn greep gehad.

De eenzijdigheid van dit denken werd me weer eens duidelijk toen ik afgelopen vrijdag een lezing hoorde van Anil Ramdas over Ethiek als vitaal belang, de zesde Den Uyl-lezing in De Rode Hoed in Amsterdam. Het ging over Suriname, over slavernij en bevrijding, over kolonialisme en onafhankelijkheid, en vooral over de snelle en onverschillige manier waarop Nederland zijn handen van Suriname heeft afgetrokken. Zijn verhaal ging nauwelijks over belangen, maar over schaamte en schuld, over het te veel aan morele schuld en het te kort aan ethische verantwoordelijkheid. Het was een indrukwekkend betoog, dat haarscherp en beeldend de armoede liet zien in onze houding en ons denken, zowel in de politiek als in de theoretische reflectie. Ethische overwegingen heb ik, als kind van mijn tijd, lang gewantrouwd, maar wat mij betreft zijn ze aan een herwaardering toe.

Maar als kind van mijn tijd heb ik daar ook moeite mee. Want wat viel er veel te ontmaskeren, en hoe groot was het genoegen om allerlei mooipraterij terug te brengen op de basalere lagen van positiebelang. Met dezelfde geestdrift als waarmee psychoanalytici ooit de seksuele driften aanwezen als grondlaag voor het menselijk doen en laten, zo speurden sociologisch denkenden naar machtsstrevingen als verborgen onderlaag voor het menselijk handelen.

Veel bleef hiermee echter onverklaard, want wat te doen met al dat menselijk gedrag - te vangen onder noemers als altruïsme, zorg of genegenheid - dat niet teruggebracht kon worden tot een materiële basis? Bleef dat dan de onverklaarde rest, of iets waarvan de ware belangen-aard bij goed zoeken toch wel blootgelegd kon worden?

Niet alleen het progressieve denken werd beheerst door macht, belang en positie, de mensen gingen zich er ook naar gedragen. Altruïsme werd niet alleen gewantrouwd bij anderen, maar ook bij zichzelf. Vooral vrouwen dienden op dit punt een drastische gedaantewisseling te ondergaan, zowel in gedrag als gevoel. Ze hadden altijd gezorgd voor anderen en de belangen van anderen gediend, nu moesten ze aan hun eigen positie denken. Atruïsme werd in korte tijd van een deugd een handicap: een hinderlijke last waarvan je je diende te bevrijden. Ook van dit denken wordt op het ogenblik gelukkig de armoedigheid ingezien, en binnen het feminisme ontstaat nu een herwaardering van zorgzaamheid. Waakzaamheid blijft echter geboden: het moet niet neerkomen op een terug naar de keuken, op een als deugd vermomd mannenbelang. De opgave is om de ethiek een plaats te geven, in de politiek en het dagelijks leven, in doen en denken; met gepast wantrouwen natuurlijk.