Atlas Ottens geeft indruk van bloei van 17de-eeuws leven; Alles tot promotie van Holland

Tentoonstelling: De Atlas Ottens. Een stadhouderlijke prentcollectie teruggevonden in het Rijksmuseum. Rijksmuseum, Amsterdam. T/m 30 jan.

Eigenlijk is de benaming atlas, in de betekenis van topografische of historische prentenverzameling, ongelukkig. Voor bijna iedereen staat dat woord voor een serie land- of zeekaarten van een klein of groot deel van de wereld. En ook al bestaan er vage noties van cartografen als Mercator en Blaeu, een atlas is eerst en vooral een studieboek, handig om te raadplegen als je na een paar nachten vorst wilt weten waar Bartlehiem ligt, maar voor het overige niet iets wat een museumbezoek waard is.

Toch moeten grafiekliefhebbers zich door de weinig opwindende tentoonstellingstitel niet later afschrikken om te gaan kijken naar ruim tachtig bladen uit de Atlas Ottens, geëxposeerd in het Rijksmuseum. De gravures, etsen en tekeningen zijn heel mooi uitgevoerd en geven behalve topografische bijzonderheden, in figuratie, in decor en in 'bijwerk' een levendige indruk van het dagelijkse (straat-)leven in de zeventiende eeuw.

De Atlas Ottens dankt zijn naam aan de Amsterdamse drukker, uitgever en kaartverkoper Reinier Ottens (1729-1793). Ottens verhandelde prenten, maar had voor zijn eigen plezier een kaartverzameling bijeengebracht. Toen hem in 1772 werd gevraagd een deel van zijn particuliere collectie aan stadhouder Willem V te verkopen, aarzelde hij niet lang. Een Oranje-Nassau was een klant met wie Ottens eer kon inleggen. De partijen werden het eens over de koopsom en voor duizend ducaten (het equivalent van ƒ 5.250) kwam Willem V in bezit van drie atlassen: een Historische Atlas van de Nederlanden, een Atlas van Amsterdam en een Atlas van de Nederlanden, in totaal 44 portefeuilles.

De atlassen werden in 1795 als oorlogsbuit naar Frankrijk gebracht, kwamen later terug in Nederland, maar werden lange tijd als verloren beschouwd. De eerste atlas, de Historische Atlas van de Nederlanden, is nog altijd zoek, maar de twee andere zijn na uitgebreid onderzoek 'teruggevonden' in het Rijksprentenkabinet, waar ze al meer dan honderd jaar onder een andere naam waren opgeborgen.

Op de tentoonstelling komt de belangrijke rol naar voren die Claes Jansz. Visscher, in 1587 geboren, speelde bij de weergave van Hollandse landschappen en steden. Hij maakte in 1611, perspectivisch niet helemaal correct, een grote kaart met het profiel van Amsterdam, gezien vanaf de IJ-zijde. Torens en huizen dienen als achtergrond voor een ware vlootschouw van koopvaardijschepen en kleinere vaartuigen. Het is vooral het derde 'plan', de wal, waarop Visscher zich heeft uitgeleefd. Exotisch geklede oosterlingen vervoeren wilde beesten, parlevinkers laden victualiën in, havenbaronnen confereren, een verdwaalde jager neemt met zijn hond poolshoogte en een pronte boerenmeid draagt bevallig een juk. Dat alles beweegt zich - symboliek moet er zijn - naar de Amsterdamse stedemaagd in het midden van het panoramische tafereel. Vier stadsgezichten zijn apart uitgelicht: Vismarkt, Vleeshal, Beurs en Dam. Het Stadhuis, het achtste wereldwonder, ontbreekt; dat gebouw dateert van 1648.

Kleiner van afmeting, maar met dezelfde gretige aandacht voor ook andere dan topografische details, is Visschers Gezicht op Egmondt-op-Zee, een zogenaamde loterijprent uit 1615. Twee aspirant-bewoners van het bejaardenhuis, beiden met stok, tonen een aanplakbord waarop allerlei geschenken te zien zijn die verloot worden ten bate van het eveneens afgebeelde gasthuis. In de duinen daarachter vinden vissershutjes beschutting bij elkaar onder de toren van de kerk. Op een duin is een rokende vuurkorf getekend. Zo'n vuurkorf werd met een brandend kolenvuur boven in een paal gehesen als baken voor de schepen. Die voorloper van de vuurtoren is, hoewel veel kleiner dan de Egmondse toren, prominent aanwezig.

Hetzelfde strand, maar dan iets zuidelijker, vormt de achtergrond voor een gravure uit 1661. De prent, fungerend als aanplakbiljet, nodigt 'curieuze liefhebbers' uit een zeemonster met een 'seer wonderlijck hooft en snuyt' te gaan zien. Het beest, een merkwaardig soort inktvis met een achtpuntige ster op zijn kop, werd tussen Katwijk en Scheveningen gevangen, waarna het nog drie uur heeft geleefd.

Op een prent naar een tekening van Adolf van der Laan (omstreeks 1725 gedateerd) is de Amsterdamse Korenbeurs afgebeeld. Het U-vormige gebouw, bestaande uit galerijen, heeft als achtergrond de toren van de Oude Kerk. Heel fraai is het verticale beeldrijm tussen de pilaren van de Beurs en de obelisken op de torenplatforms. Ook hier lijkt de architectuur een aanleiding of een excuus voor het benadrukken van economische bedrijvigheid en geanimeerd sociaal verkeer. Tevreden arbeiders, ontspannen dames en heren, een equipage en een stel goed doorvoede honden geven een probleemloos Amsterdam weer. Onder de galerijen is geen bedelaar, geen lepralijder, geen dronkelap en geen dakloze te bekennen. Visscher, Van der Laan en hun collega's hebben hun omgeving met enthousiasme 'gepromoot'. Als dat met zulk groot vakmanschap gebeurt, is daar niets op tegen.