Ach Tietema

Dit is het verhaal van meneer Tietema, een verkenning van de grenzen van een goed humeur.

Toen hij zijn vrouw verloor, bleef hij achter met een jongen van negen en een meisje van zes. Die jongen deed het goed: LTS, MTS, tekenkamer van een architectenbureau. Hij raakte gelukkig getrouwd en zette een tweeling op de wereld, meisjes.

Maar dat dochtertje, dat was verschrikkelijk, dat wou niet deugen. Zij werd al op haar veertiende van school gestuurd. Winkeldiefstal, prostitutie, heroïne, enzovoort. Ze stak een dealer neer en ging naar de gevangenis.

Hij verkocht kantoorartikelen - een donker pandje in een stille straat en op de ruit stond Tietema. Toen hij werd overvallen, werd in de buurt gezegd dat zij erachter zat, die meid van hem. Het zaakje werd gesloten. Er was iets met zijn bloedomloop, hij moest herhaaldelijk geopereerd.

Maar ongebroken! Hij fietste vrolijk rond. Hij zong en zwaaide, lachte, riep gedag. Aan hem kon iedereen een voorbeeld nemen. Hij bouwde kathedralen van luciferhoutjes.

Nu is de tweeling, het dochterpaar van die geslaagde zoon, bij de landmacht gegaan. Ze krijgen een officiersopleiding en hebben de naam van hun moeder aangenomen, De Bruin.

En nu is hij verslagen. Hij kniest. Je ziet hem zelden meer. Ja, bij de bakker, schuw en somber. Hij ergert zich aan iemands paraplu. Hij snauwt. Hij loopt de winkel uit. Ach Tietema.