VNO-advies over hoger onderwijs is oppervlakkig

Het is plezierig, dat het Verbond van Nederlandse Ondernemingen een rol vervult in het maatschappelijke debat over de toekomstige vormgeving van het hoger onderwijs. Gezien de status en het prestige van het VNO mag men van deze bijdrage aan het debat hoge verwachtingen koesteren.

De positie van het VNO is natuurlijk sterk belanggebonden: werkgevers beoordelen het hoger onderwijs en de afgestudeerden vanuit hun specifieke belang. Dat belang betreft één van de dimensies van de afgestudeerde, te weten de toekomstige positie als werknemer. Bovendien vertegenwoordigt het VNO alleen de werkgeversoptiek van een deel van de arbeidsmarkt, namelijk het particuliere bedrijfsleven. Het belang van de werkgevers in de publieke sector ziet zich niet door het VNO vertegenwoordigd.

Wat is dan dat specifieke belang van de particuliere werkgever?

Ten eerste, dat er meer dan voldoende gekwalificeerde menskracht ter beschikking komt voor de binnen de onderneming te vervullen functies. Meer dan voldoende, omdat anders een opwaartse druk op de lonen zou ontstaan.

Ten tweede, dat er duidelijke en eenvoudige labels aanwezig zijn waarmee afgestudeerden van een zeker type zijn aan te duiden. Zodoende immers kunnen werkgevers afgaan op de label en blijven hun selectiekosten beheersbaar.

Ten derde, dat de totale kosten van hoger onderwijs zo beperkt mogelijk blijven, omdat anders immers de belastingdruk dreigt op te lopen. En dat werkgevers zelf zo min mogelijk in die kosten zullen behoeven bij te dragen. Als aan die belangen wordt voldaan zullen er minder mensen worden opgeleid die in minder relevant geachte segmenten van de arbeidsmarkt werkzaam zullen zijn, of mensen die op grond van niet-arbeidsmarktgebonden overwegingen zijn opgeleid, zoals een uitdrukkelijke culturele motivatie.

De voorgaande aanduiding van het specifieke belang van het VNO leidt zo tot een drietal eisen aan hoger onderwijs: - meer dan voldoende 'relevante' opgeleiden; - ondubbelzinnige labels; - zo weinig mogelijk 'overige' opgeleiden.

Die aanduiding maakt ook terstond duidelijk, waarom geen verantwoordelijke regering de aanbevelingen van een particuliere werkgeversorganisatie zonder meer kan overnemen. Een regering zal immers ook de culturele dimensies willen wegen en ook de overige segmenten van de arbeidsmarkt in beschouwing willen nemen.

Het VNO bepleit dan ook vooral voor een wijziging van de kwantitatieve verhoudingen in het onderwijs waarbij de categorieën van bruikbare potentiële werknemers toenemen en de overige afnemen. En ook voor een afnemende differentiatie van labels, dus bredere categorieën van onderwijsaanbod.

Dat is een wat doorzichtige, maar ook smalsporige interpretatie van het eigen specifieke belang voor particuliere werkgevers. In de presentatie leidt zij ook tot misverstanden, als zouden aan het pleidooi van het VNO inhoudelijke overwegingen over de kwaliteit en het niveau van het onderwijs en onderzoek in verschillende disciplines ten grondslag liggen.

Ook particuliere werkgevers hebben - zij het indirect - belang bij het optimaal functioneren van de overige sectoren van de samenleving, zoals verschillende typen van overheden. Het VNO laat zich bijvoorbeeld regelmatig zeer kritisch uit over de kwaliteit van het overheidsbeleid.

Deze werkgeversorganisatie geeft daarom blijk van eenzijdigheid als zij juist nu giftige pijlen richt op toegepaste wetenschappen die zich overwegend wijden aan inspanningen ter verbetering van de kwaliteit van overheidsbeleid, zoals de bestuurskunde.

Bovendien weet iedere betrokkene dat werkgevers er nimmer in zijn geslaagd om enigszins betrouwbare kwantitatieve ramingen van behoeften aan toekomstige afgestudeerden te formuleren. In het recente verleden zijn er verschrikkelijke fouten gemaakt aan de zijde van organisaties zoals het VNO als het ging om de raming van de behoeften aan informatici. Ook werden bijvoorbeeld ramingen van het gewenste aantal ingenieurs electronica met terugwerkende kracht bijgesteld, toen Philips in moeilijkheden raakte.

De door het VNO geformuleerde wens tot verbreding van labels behoeft enige nadere argumentatie. Inderdaad is het goed vol te houden dat de inhoud van eerstefase opleidingen aan verbreding toe is, nu de afgestudeerden niet hun hele leven behoeven te teren op een eenmalige opleiding maar een beroepsmatig levenslang leren tegemoet gaan.

De diepgaande herstructurering van initieel onderwijs zou dan vooral moeten gaan over versterking van potenties en houdingen, over het vermogen om te leren, over de potentie om samenhang te zien en problemen te formuleren (in het wetenschappelijk onderwijs) of problemen op te lossen (in het hoger beroepsonderwijs).

Daarover spreekt het VNO echter niet. Het Verbond richt zijn kritiek op de ver doorgeschoten differentiatie van de aanduidingen van opleidingen, van labels dus. Inderdaad, bij vergaande differentiatie zullen de selectiekosten van werkgevers iets oplopen omdat ze wat meer informatie moeten verzamelen over wat er achter die labels schuilgaat.

Voor het overige lijkt het betoog van het VNO een beetje op dat van de Sovjet-autoriteiten, die opmerkten dat één merk aardbeienjam toch genoeg moet zijn.