Uit de werkplaats van Block

Tentoonstelling: Met je hoofd door de muur. Verzameling Block. Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam. T/m 6 feb, di-za 10-17u, zo en feestdagen 11-17u, 1 jan gesloten. Catalogus (Deens, Duits, Engels) ƒ 69,-

Geen verzameling, maar een Ansammlung, een opeenstapeling, noemt René Block de kunstwerken die hij sinds 1964 heeft vergaard. In dat jaar opende hij in Berlijn een galerie waar hij behalve exposities van jonge Duitse kunstenaars, ook zogenaamde Fluxus-concerten, happenings en performances organiseerde. Block karakteriseert het geheel als “een bericht uit een experimentele werkplaats.”

Van de kunstenaars die in Galerie René Block een kans kregen is een aantal inmiddels wereldberoemd: Joseph Beuys, Nam June Paik, Sigmar Polke, Gerhard Richter. Block beschouwt het achteraf als een “compliment dat ik toevallig de juiste kunstenaars heb ontdekt.” Maar, voegt hij er bescheiden aan toe, “Ik wist toen niet wat ik deed, ik was 22 jaar en wilde wat.” Een nauwe band met de kunstenaar vindt hij belangrijk: “Ik ben niet zo'n verzamelaar als Ludwig, die contacten met kunstenaars juist vermijdt.”

Enkele jaren geleden gaf Block meer dan 500 kunstwerken in langdurig bruikleen aan het Statens Museum for Kunst in Kopenhagen. Voor de tentoonstelling Met je hoofd door de muur is hieruit een keuze gemaakt, die tot begin februari in Museum Boymans-Van Beuningen in Rotterdam te zien is.

Vóór het gesprek legt Block, staande op een ladder, de laatste hand aan de opstelling van een drietal 'edities', kunstwerken in oplage, die hij samen met Beuys uitgaf. Aan de muur hangt een slee, daarnaast een vilten pak en in een hoek staan twee bezems. Sinds de dood van Beuys in 1986, is het (opnieuw) installeren van zijn beelden problematisch geworden. De losse objecten zijn vaak nauw verbonden met bepaalde situaties of acties van de kunstenaar.

Bij de edities bestaat dit probleem niet, zegt Block. Maar ook de installatie van Klavieroxygen, een onttakelde vleugel, een schoolbord, een oude telefoon en een zuurstofcilinder, kost hem geen moeite. Het werk ontstond in 1985 op de Art of Peace Biennale in Hamburg tijdens een gezamenlijk concert van Beuys, Paik en de Deense componist Henning Chistiansen. Beuys kon wegens ziekte zelf niet aanwezig zijn en gaf per telefoon aanwijzingen. “Beuys zette alles op een simpele, organische manier neer”, vertelt Block.

In 1974 opende Beuys met de performance I like America and America likes me de nieuwe galerie van Block in New York. Vanaf het vliegveld werd de kunstenaar per ambulance naar de galerie gebracht. Daar verbleef hij drie dagen met een prairiewolf, een coyote, in een afgesloten ruimte. Amerika hield overigens duidelijk meer van de kunstenaar dan van de galeriehouder. In 1979 organiseerde het Guggenheimmuseum in New York een grote retrospectieve van Beuys. Blocks Newyorkse filiaal was toen al twee jaar dicht. Beuys verwerkte het kantoormeubilair van de galerie in het monumentale kunstwerk Grond, dat in 1981 door Museum Boymans werd aangekocht.

Na exact vijftien jaar, in 1979, sloot Block ook zijn Berlijnse galerie. “Een jaar voor de big boom in de kunstwereld”, zegt hij nu. “Ik betreur het niet. Ik heb geen strategie uitgestippeld voor mijn leven of voor de verzameling.” De kunstwerken verdwenen in kisten en Block zette zijn activiteiten voort als onafhankelijk curator. Hij werkte tien jaar voor de DAADgalerie in Berlijn (de Deutscher Akademischer Austausch Dienst) en is sinds kort verbonden aan het Institut für Auslandbeziehungen in Stuttgart.

Block maakt weinig ophef over zijn eigen rol in dit alles. Bijna terloops vertelt hij over de verchroomde Afrikaanse beelden van de Amerikaan Robert Watts die hij in 1976 in New York exposeerde. Vooral studenten, onder wie Jeff Koons, bezochten toen de galerie, zegt Block. Watts is inmiddels dood en vergeten, maar Koons' verchroomde beelden staan in elk kunsttijdschrift.

De meeste kunstwerken in Museum Boymans vallen onder de noemer Fluxus. Een definitie van Fluxus is eigenlijk niet te geven. Het is meer een levenshouding dan een stijl of stroming. Musici, dichters en beeldende kunstenaars wilden begin jaren zestig de grenzen tussen kunst en leven en tussen de verschillende disciplines opheffen. “De componist John Cage was de vader en Marcel Duchamp de grootvader van Fluxus. Duchamp introduceerde de readymade en Fluxus gaf daar een nieuwe vorm aan”, aldus Block. “Fluxus heeft veel te maken met een persoonlijke instelling, ook van de toeschouwer. Het is eigenlijk niet bedoeld voor een museum. De visuele oplossingen waren voor hen niet zo belangrijk. Het is bedoeld voor mensen, zoals een spel of een partituur.”

Op mijn vraag of je zoiets wel moet exposeren, wijst Block op een ladder met gekleurde sporten die hij zelf maakte naar een concept van de Fluxus-kunstenaar George Brecht. Het doosje met deze en andere 'opdrachten' staat elders in een vitrine. Vervolgens neemt hij me mee naar een schilderij van de Deen Arthur K⊘pcke. Het plezier waarmee hij de raadsels en rebussen op het doek tracht te ontcijferen werkt aanstekelijk. 'Invullen met eigen verbeelding', staat er op een witte plek.

Wim Schippers, een Nederlandse exponent van Fluxus, had gisteren bij Nova een soortgelijk advies: 'Het is kunst waar je iets voor moet doen.'