Schaatsmateriaalman ontwikkelt geautomatiseerd meet- en slijpsysteem; De ronding kennen is niet voldoende

EINDHOVEN, 21 DEC. “Wat je ziet”, zegt Frans van Stiphout, “is maar een klein radertje in het geheel.” En hij wijst met zijn hand naar de tafel. Aan de ene kant staan het handmeetapparaat en de slijpmachine die hij bij de Olympische Spelen in Albertville heeft gebruikt. Aan de andere kant zoemt het automatische meetsysteem, dat voor de Olympische Spelen in Hamar is ontwikkeld. Een apparaat dat vanmorgen symbolisch is overgedragen aan Egbert van 't Oever, chef d'equipe van de Nederlandse olympische schaatsploeg.

De 51-jarige Van Stiphout wil zijn belangrijkheid niet uitvergroten. Liever bagatelliseert hij zijn rol. Hij was in Albertville maar de materiaalman van de Nederlandse schaatsploeg, een functie die hij ook in Hamar zal vervullen. En een materiaalman is dienstbaar in de schaduw. Hij zorgt dat de schaatsen perfect in orde. Maar perfecte schaatsen maken geen perfecte schaatser. Perfecte schaatsen zijn maar één van die details die voor een perfecte prestatie in orde moeten zijn.

Wel een belangrijk detail, en een detail dat steeds belangrijker wordt naarmate schaatsers sneller gaan en alles nauwer luistert. Vindt Van Stiphout. Zeggen ook de schaatsers. Dan hebben ze het vooral over 'de ronding van de schaats', de lichte kromming van voren naar achteren, die het 'meesturen' makkelijker maakt. Die ervoor zorgt dat het draagvlak op het ijs nooit meer dan drie tot drieënhalve centimeter is. Als je die ronding doortrekt bij de schaatsen van Bart Veldkamp krijg je een cirkel met een straal van 21 meter.

“De ronding van een schaats, dat scheelt alles”, heeft Bart Veldkamp wel eens gezegd in een gesprek met de Volkskrant. “Een verkeerde ronding kan een heel seizoen om zeep helpen. Ben je een ronding van 21 meter gewend en je rijdt op een schaats met een ronding van 24, tja, dat gaat gewoon niet. Dat is net zoiets als op de weg fietsen en in de tramrails belanden. Ben je ronding 21 gewend en je rijdt met ronding 18, dat gaat ook niet. In de bocht nog wel, maar rechtdoor heb je geen draagvlak. Alsof je op een bal loopt. Je gaat alle kanten uit.”

Wat de ideale ronding voor een schaatser is, wordt bepaald door zijn techniek, zijn gewicht en de ijskwaliteit. Die gegevens kun je niet in een computer stoppen, en hup, daar rolt de ronding uit, zegt Van Stiphout. “De ideale ronding, die moet je voelen. Die kun je alleen maar proefondervindelijk vaststellen door op volle snelheid te schaatsen.”

Theoretisch zou je die ideale ronding ook elk jaar opnieuw moeten controleren, moeten bijstellen, moeten aanpassen aan omstandigheden. Maar zo werkt dat niet, weet Van Stiphout. “Je hebt nog altijd het menselijk aspect. Schaatsers willen vastigheid hebben. Niet steeds weer twijfelen over de ronding van hun schaatsen. Daarom blijven ze meestal bij de ronding die ze aan het begin van hun topsportloopbaan hebben gekozen. Onzekerheid doet elk theoretisch voordeel te niet.”

En de ideale ronding kennen, is niet voldoende. Je moet haar ook kunnen aanbrengen. Dat is niet alleen een kwestie van slijpen, ook van meten. Heb je wel bereikt wat je had beoogd? Machines van de grote schaatsmerken werken volgens Van Stiphout veel te onnauwkeurig. Daarbij kan ook de hardheid van het schaatsijzer variëren, waardoor je twee schaatsen met een verschillende ronding krijgt.

Als het op slijpen van de schaatsen aankomt, heeft Van Stiphout al heel wat knoeiwerk gezien. Hij kan het zes jaar na dato wel vertellen. Dat Kloosterboer, destijds de coach van de vrouwenploeg, hem met kerstmis 1987 te hulp riep. Dat was vlak voordat Yvonne van Gennep bij de Olympische Spelen van Calgary drie gouden medailles haalde. “Het meiske was ten einde raad. Ze kon geen kant meer op. Het leek wel of ze het schaatsen verleerd had.”

Bij meting bleek dat haar schaatsen een ronding hadden van wel 30 meter. “Daar kan niemand op rijden.” In overleg werd die ronding na tests in Heerenveen teruggebracht tot 22 meter. Van Stiphout, met glimmende oogjes: “Daarna heeft ze het niet slecht gedaan.”

Het constant houden van de ronding noemt Van Stiphout “van levensbelang”. Om dat proces nog verder te perfectioneren heeft hij op de technische Universiteit Eindhoven binnen zijn vakgroep Produktietechnologie- en automatisering van de faculteit Werktuigbouwkunde het initiatief genomen tot ontwikkeling van een automatisch meetsysteem. Het universiteitsbestuur heeft voor de uitvoering een subsidie van tienduizend gulden verstrekt.

Het nieuwe meetsysteem, voorzien van draagbare computer en een printer, werkt niet alleen sneller dan het handmeetapparaat maar ook veel nauwkeuriger. Over een lengte van 30 centimeter wordt de schaatsronding elke 5 millimeter in kaart gebracht. In grafiek kan de schaatser zich zelf overtuigen van het slijpresultaat. “Dat geeft hem de zekerheid dat zijn schaatsen in orde zijn”, zegt Van Stiphout. “Dat is belangrijk. Misschien wel belangrijker dan de ronding zelf.” Zoals Egbert van 't Oever vanmorgen zei: “Presteren op topniveau is het wegstrepen van onzekerheden.”

Die zekerheid, die perfecte ronding, bezorgen de Nederlandse schaatsers “een voordeeltje” tegenover de concurrentie. Al geeft Van Stiphout onmiddellijk toe dat dit voordeel niet te kwantificeren valt. “Maar materiaal wordt bij de prestaties wel steeds belangrijker. Bij het halen van olympische medailles tellen alle details.”