Rumoer

Wat zullen ze de volgende keer bedenken, dacht ik toen ik las over het laatste geval van zogenaamd plagiaat. Ik kon me wel iets voorstellen. De literaire grootinquisiteur stuit op een scène waarin een man en een vrouw een stil plekje zoeken en vervolgens ingewikkelde bewegingen uitvoeren waar zij een merkwaardig genoegen aan beleven. Lijken die bewegingen niet verdacht veel op de bewegingen die al uitvoerig beschreven werden in de toch niet onbekende memoires van een achttiende eeuwse Venetiaanse avonturier? Onmiskenbaar geval van plagiaat, weliswaar niet in juridische zin, want het auteursrecht van de avonturier zal wel verlopen zijn, maar in ieder geval in literaire zin.

Je kan het zo gek niet bedenken of het blijkt de werkelijkheid te zijn. In het boekje Plagiatoren trekken voorbij van Hans van Straten wordt een verhaal van Jacques Perk behandeld. Hoofdpersoon benadert een slapende naakte vrouw. Vrouw wordt wakker, is aanvankelijk boos, later vriendelijker. Plagiaat van Marcellus Emants, vindt Van Straten; niet juridisch, want Perk publiceerde zijn verhaal niet eens, maar zeker literair. Van Emants en van vele anderen, zou ik zeggen. Het zal ook niet de laatste keer zijn dat dit plagiaat gepleegd is, nog vele malen zullen voor niets terugdeinzende letterdieven hun hoofdpersoon een naakte vrouw laten benaderen.

Gerrit Komrij wordt als dief aan de schandpaal gezet omdat hij de verzuchting dat de weduwenverbranding weer ingevoerd zou moeten worden, zou hebben overgenomen van Dolf Verspoor. Kan je vaste uitdrukkingen, zo oud als de weduwenverbranding, nu ook al als geestelijk eigendom claimen? Volgens deze normen van oorspronkelijkheid zal alleen een wilde, opgevoed door wolven in het bos, nog de pen ter hand kunnen nemen.

Ach, vroeger waren artistieke ruzies mooier. Uit de televisieserie Hotel Atonaal leren we dat de dichter Bertus Aafjes zijn leven lang in snikken is uitgebarsten als hij herinnerd werd aan een agressief artikel dat hij kort na de oorlog tegen de Vijftigers had geschreven. En die waren het ook nog lang niet vergeten. Hij snikte terecht, vond Hugo Claus streng. Romantische slijmbal, die Aafjes met zijn voettocht naar Rome, had beter de fiets kunnen nemen, vond Bert Schierbeek. Leuke uitspraak. Een beetje als de Italiaanse Futuristen, die de techniek verheerlijkten en de kanalen van Venetië wilden asfalteren om ruimte voor hun geliefde racewagens te maken, maar dan op zijn oerhollands, op de fiets.

Het was in ieder geval een literaire vete geweest die ergens om ging en die bij de deelnemers hun leven lang sporen had achtergelaten. Heel wat anders dan de miezerige relletjes van nu. Naast elkaar het bericht over de van plagiaat betichte schrijver en een stuk over actiegroepen die een film wilden verbieden. Dezelfde avond een verhaal over verzamelaars van Reviana. De een vond dat Reve sinds 1960 hard achteruit was gegaan, de volgende dat hij sinds 1980 niets meer te zeggen had, nummer drie plaatste het verval weer een tijdje later, en zo zongen ze in canon een lied waarvan de samenklank er op neerkwam dat het sinds De Avonden al niks was geweest, maar dat ze uit gewoonte maar door waren gegaan met verzamelen. Omdat al die krantestukken op dezelfde dag kwamen, kreeg ik het idee dat er een geconcentreerde aanval op de kunst gaande was, maar dat was natuurlijk overdreven. De relletjes komen, borrelen een paar dagen en verdwijnen weer. Reve kreeg mooie verjaardagscadeaus, de film over de neo-nazi werd ongestoord vertoond, en Marcel Möhring werd in eer hersteld. Dan gaat de muggenzwerm weer eens iemand anders plagen, voor de afwisseling.

Er blijft weinig hangen, alleen een vaag idee dat er iets mis is met de mensen die even gestoken zijn. Voor de geestelijke vrijheid kan het niet goed zijn, dat voortdurende rumoer waarin iedere kunstenaar op elk willekeurig moment de gekste beschuldigingen kan verwachten.

Ik ben Nabokovs Ada aan het lezen. Het moest er eens van komen. Ik zei altijd dat ik een boek van Nabokov wilde overhouden dat ik nog niet gelezen had, als noodvoorraad voor moeilijke tijden, maar dat was natuurlijk niet de echte reden dat ik het nooit uitgelezen had. Het is een boek dat je op iedere bladzijde inpepert hoe dom je bent, omdat je meer dan de helft van de opzichtig aanwezige toespelingen en grappen niet begrijpt. Nabokov zet zijn lezer aan tot zelfstandig detectivewerk, schrijft een commentator. Dan besef je dat je niet alleen dom, maar ook lui bent.

Hoe zou Ada ontvangen worden als het nu geschreven was? Het gaat over broer en zus die op jonge leeftijd, hij veertien, zij twaalf, ermee beginnen om samen de door de Venetiaanse avonturier zo aanstekelijk beschreven bewegingen uit te voeren. Tot hun grote tevredenheid, en ze leefden nog lang en gelukkig.

Ik denk dat het nu een enorm kabaal zou geven, met actiegroepen die stenen door de ruiten gooiden van een uitgever die het waagde een schandschrift uit te brengen waarin een meisje van twaalf tot haar groot genoegen seksueel misbruikt wordt door haar oudere broer. Je kan je de treurige debatten over de sociale verantwoordelijkheid van de schrijver wel voorstellen. Het relletje zou ook wel wat langer dan een paar dagen blijven borrelen.

Niets van dit alles in 1969, in het preutse Amerika. Het weekblad Time, toch de stem van de Amerikaanse Otto Normaalverbruiker, (pas op, plagiaat!) zette Nabokov op het omslag, met speelse tekeningetjes van een vlinder en Russische scrabble-letters en het enthousiaste bijschrift: De roman leeft en woont in Antiterra. Een grote boekenclub koos het uit als boek van de maand. Columbia Pictures betaalde onmiddellijk een half miljoen dollar voor de filmrechten. Bij alle loftuitingen was er ook wel kritiek, maar dat was literaire kritiek, die er op neerkwam dat Nabokov met zijn fantastische vertoon van geleerdheid zijn boek verstikte. In de bladzijden die biograaf Brian Boyd wijdt aan de kritische ontvangst van Ada, komt niet één geval voor van morele kritiek op de onbezorgde speurtocht naar de anagrammen van incest. Voorbij, voorgoed voorbij die mooie tijd. In 1969 werd de artistieke vrijheid van de kunstenaar kennelijk heel even als vanzelfsprekend beschouwd.