Parsi's in India, minderheid naast God

Materieel gezien zijn de Parsi's ongetwijfeld de meest welvarende minderheid van India. Twaalf eeuwen na haar komst uit Iran wordt de groep met haar eigen Zoroastrische godsdienst echter met uitsterven bedreigd.

BOMBAY, DEC. Het is een komen en gaan in het expeditiekantoor van Jamshed Guzder, dichtbij de haven van Bombay. Maar de bezoekers, allen Parsi's, zijn niet gekomen om vracht te versturen. Ze komen Guzder smeken om een nieuw appartement dat op aantrekkelijke voorwaarden ter beschikking wordt gesteld aan minder welgestelde leden van de Parsi-gemeenschap in de dichtbevolkte metropool. “Alstublieft, u bent mijn laatste hoop”, jammert een zwangere vrouw. “voor mij staat u naast God.”

Guzder is behalve een succesvol zakenman ook voorzitter van de Panchayat, een raad van de Parsi's in Bombay die tevens een van de grootste huizenbezitters is van de stad. Als de jammerende vrouw vertrokken is, zegt Guzder een beetje treurig: “De geest van avontuur en ondernemingsgezindheid is helaas verdwenen bij de Parsi's.”

Bijna de helft van de ongeveer 40.000 Parsi's in Bombay trekt op de een of andere manier steun van een van de talrijke liefdadigheidsorganisaties voor Parsi's. “We moeten de oude geestkracht weer zien terug te krijgen”, zegt Guzder, “anders zijn we ten dode opgeschreven,”

De Parsi's vormen een unieke minderheid in India. Over het algemeen zijn ze uitstekend geschoold, wonen bijna uitsluitend in steden (vooral Bombay) en zijn zonder twijfel de meest verwesterlijkte groep in het land. De afgelopen paar eeuwen bevonden ze zich voortdurend in de voorhoede van de maatschappelijke ontwikkelingen in India. Maar nu, tegen het einde van de twintigste eeuw en 1.200 jaar na hun komst naar India, wordt de gemeenschap serieus met de ondergang bedreigd.

De cijfers spreken voor zich. In 1951 waren er nog 115.000 Parsi's in India, inmiddels is dat aantal gedaald tot ongeveer 65.000. De teruggang is te wijten aan een aantal factoren waarmee ook Westerse landen vertrouwd zijn geraakt. Parsi's trouwen op latere leeftijd dan vroeger, waarna beide partners meestal blijven doorwerken. In het overvolle Bombay, waar woonruimte schaars is, nemen ze bovendien zelden meer dan twee kinderen. Anderen blijven liever kinderloos. Net als in het Westen is homoseksualiteit geen uitzondering meer bij Parsi's. Verder emigreerden velen naar de Verenigde Staten, Engeland en Australië. Een bijkomend probleem is dat steeds meer ontwikkelde Parsi's, die geleerd hebben verder te kijken dan de eigen gemeenschap, huwelijken aangaan met partners uit andere Indiase bevolkingsgroepen.

Terwijl India verder een bij uitstek jong land is, is de Parsi-gemeenschap in de greep van de vergrijzing. Eind vorige maand overleed de befaamde Parsi-industrieel J.R.D. Tata, de stichter van onder andere Air India en de leider van de gigantische Tata-groep (ruim 250.000 werknemers). Op een goed bezochte herdenkingsplechtigheid voor 'J.R.D.' in Bombay vorige week waren de grijze hoofden weer zeer in de meerderheid. Ironisch genoeg verwezen verscheidene sprekers naar de inspanningen die de overledene zich had getroost om de overbevolking in India te bestrijden. Daarvoor kreeg hij vorig jaar zelfs een speciale onderscheiding van VN-secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali.

De uitdunning van de eigen gelederen bracht de Parsi's er al een paar jaar geleden toe opdracht te geven tot een grondige demografische studie. Die kwam tot de conclusie dat er bij voortzetting van de huidige trend in het jaar 2025 nog maar 22.000 Parsi's zullen zijn in India.

Onder leiding van Guzder bezint de Panchayat zich nu op maatregelen die een kentering teweeg kunnen brengen. In de honderden appartementsgebouwen onder controle van de Panchayat moeten voorzieningen komen voor kinderopvang zodat Parsi-moeders hun kinderen met een gerust hart dichtbij huis kunnen achterlaten. Het pièce de résistance van Guzder is echter een voorstel om tot het achttiende levensjaar de gehele opvoeding te bekostigen voor het derde kind van Parsi-ouders. “Tot dusverre heb ik vooral positieve reacties gehad op dit voorstel”, zegt Guzder.

De historie van de Indiase Parsi's begint in Iran. Ze behoorden daar tot de volgelingen van Zoroaster, in het Westen beter bekend als Zarathustra. Wanneer Zoroaster precies leefde en predikte staat niet vast. De schattingen lopen ver uiteen, van de 4.000 voor Christus tot de zevende eeuw voor Christus. Wel is bekend dat het Zoroastrische geloof in de eeuwen voor de jaartelling in grote delen van het Midden-Oosten invloed had, onder andere op de joden. Zoroaster was voor zover bekend de eerste die het concept van het monotheïsme introduceerde. Zijn god noemde hij Ahura Mazda (de wijze heer) en deze was gewikkeld in een constante strijd met het kwaad in de wereld.

Een belangrijk element in de Zoroastrische leer is dat elk mens actief kan bijdragen aan de strijd tegen het kwaad. Er is geen sprake van determinisme of fatalisme. Er moet hard gewerkt worden en ieder mens heeft zijn eigen verantwoordelijkheid. Iedere Zoroastriër die de navjot, een inwijdingsritueel ondergaat, moet verklaren dat hij “goede gedachten, goede woorden en goede daden” nastreeft. Anderen geluk brengen is een wezenlijke doelstelling voor iedere rechtgeaarde Zoroastriër.

Het Zoroastrische geloof is niet overdreven rijk aan rituelen. Behalve de inwijdingsceremonie zijn er twee andere opmerkelijke gebruiken: de aanbidding in hun tempels van het vuur, dat wordt gezien als een symbool van de waarheid, en de traditie om hun doden in de zogeheten Torens der Stilte aan gieren en andere aasetende vogels bloot te stellen. Volgens de Parsi's is dit de meest hygiënische manier om van de lijken af te raken. Lichamelijke en geestelijke reinheid zijn van groot belang voor hen. Doden zijn onrein en alleen de evenmin reine lijkdragers mogen bij de Torens der Stilte komen. De botten worden in een put gegooid, waar ze uiteindelijk verteren.

Toen de islam in de zevende eeuw na Christus aan een grote zegetocht door het Midden-Oosten begon, voelden veel Zoroastriërs zich bedreigd. Een groep van enige duizenden verliet in de loop van de achtste eeuw per boot de provincie Fars in het zuidwesten van het huidige Iran om zich in het westen van India te vestigen, waar ze al gauw Parsi's gingen heten. Nog steeds bestaat er overigens ook in Iran een Zoroastrische gemeenschap. Officieel telt die zo'n 30.000 mensen maar in werkelijkheid zijn het er vermoedelijk meer omdat niet elke Zoroastriër bij dergelijke tellingen voor zijn echte geloof uitkomt,

Over de eerste duizend jaar van de Parsi's in India, vooral in de provincie Gujarat, is betrekkelijk weinig bekend. Vanaf het begin toonden de Parsi's zich er echter bekwaam in zich aan hun omgeving aan te passen met behoud van hun eigen tradities. Die eigenschap kwam hen uitstekend van pas toen er vanaf de 16e eeuw Europeanen in India arriveerden die steeds meer invloed kregen op het Zuidaziatische subcontinent. De Portugezen en later de Britten maakten graag gebruik van de diensten van de Parsi's, die met hun rationele levenshouding en grote kennis van India voor hen ideale bemiddelaars vormden bij allerlei zaken, zowel economische als politieke.

In de zeventiende eeuw trokken veel Parsi's uit Gujarat naar het opkomende Bombay. Daar leverden ze in de periode van de Britse overheersing een grote bijdrage aan de stormachtige ontwikkeling die de stad doormaakte. De Britten lieten de Parsi's alle vrijheid om zich te ontplooien en dankbaar benutten die deze kans.

In de negentiende eeuw volgde er een lange reeks van doorbraken in Brits-Indië waarbij de Parsi's een hoofdrol vervulden. De eerste school voor meisjes werd opgericht door een Parsi, de eerste Indiër in het Britse Lagerhuis was een Parsi, de eerste vrouw uit India die een auto bestuurde was een Parsi, de stichter van de eerste staalfabriek in India was een Parsi. Mede dankzij hun goede opleiding brachten veel Parsi's het tot grote welstand.

De Parsi's pasten zich volledig aan het systeem van de Britse overheersers aan. Ze gingen cricket spelen, lazen Engelse romans, kleedden zich Engels en namen in veel gevallen zelfs Engelse namen aan, dikwijls verband houdend met het beroep dat ze uitoefenden. Nog steeds zijn ze in het telefoonboek te vinden: de Tobaccowala's, de Sodawaterwala's, de Doctors, de Photographers en de Bankers om nog te zwijgen van de vermaarde familie Readymoney. “Veel Parsi's gedroegen zich als hielenlikkers van de Britten”, zegt Homi Sethna, zelf een Parsi en de auteur van verscheidene documentaires over de Parsi's.

Toch bleef een anti-Parsi-reactie na de Indiase onafhankelijkheid in 1947 uit. Sommige Parsi's hadden ook een prominente rol gespeeld in de Congrespartij in de aanloop naar de onafhankelijkheid. Er was bovendien weinig reden tot afkeer van de Parsi's, die een reputatie van rechtvaardigheid hadden. In rechtszaken waren Parsi-rechters bij voorbeeld geliefd. Hun principes getrouw gaven de talrijke welgestelde Parsi's verder niet alleen met gulle hand voor liefdadigheid binnen de eigen gemeenschap maar ook voor de overige Indiërs. Menige Parsi, ook J.R.D. Tata, verklaarde openlijk eerst Indiër te zijn en pas daarna Parsi.

Onmiskenbaar werd de rol van de Parsi's na 1947 echter minder prominent. “Veel hindoe's en moslims kregen ook de smaak van het ondernemen te pakken”, zegt Guzder. “Op de een of andere manier miste onze gemeenschap de psychische gesteldheid om zich hier voldoende tegen te weer te stellen. Velen kozen de gemakkelijke weg en gingen in loondienst werken.”

Nu breken de Parsi's zich het hoofd hoe ze de oude dynamiek in hun gemeenschap kunnen herstellen. Afgezien van praktische stappen zoals voorgesteld door Guzder concentreert het debat zich op de religie zelf. Volgens sommige progressieve Parsi's als Homi Sethna maken de huidige regels het onnodig moeilijk voor de Parsi-gemeenschap om te overleven. Na een conflict aan het begin van deze eeuw over het huwelijk van een lid van de familie Tata met een française werd vastgesteld dat de kinderen van mannelijke Parsi's die met niet-Parsi vrouwen huwen Zoroastriërs blijven. Omgekeerd geldt dit echter niet voor Parsi-vrouwen die buiten de gemeenschap trouwen. Het argument: de Parsi-samenleving is altijd patriarchaal geweest en daaraan kan niet worden getornd.

Deze regel heeft tot de nodige frictie geleid. Veel Parsi-vrouwen met gemengde huwelijken die wel in de Zoroastrische religie blijven geloven, zouden graag hun kinderen ook naar de vuurtempels brengen, maar dit is niet toegestaan. Sommige vrouwen maken zelfs stiekem een afspraak met een liberale priester om hun kinderen in besloten kring de navjot-ceremonie te laten doormaken.

De meer orthodoxe richting geeft geen krimp. Ze betoogt dat door gemengde huwelijken de Parsi-tradities juist verwateren. Homi Sethna gelooft echter dat er een minder verheffende overweging achter zit: “Ze zijn zo vreselijk trots op hun afstamming uit Iran en de lange traditie, ze willen niet dat hun blauwe bloed met dat van anderen vermengd wordt.” Heen en weer schommelend in zijn stoel met uitzicht op de Arabische Zee, waarover zijn voorouders eens naar India voeren, zegt hij: “Als we de deuren niet voor anderen opendoen, zijn we er geweest.”