Oerkreten, piepende banden

Concert: Robert Plant. Bezetting: Phil Johnstone (gitaar, toetsen, mandoline). Charlie Jones (bas), Michael Lee (drums), Kevin MacMichael en Francis Dunney (gitaren). Gehoord: 20/12 Paradiso, Amsterdam.

'Baby baby baby baby!' Robert Plant kan het nog steeds niet laten. Geen rockzanger heeft die onzinnige kreet zo vaak gebezigd als de vroegere frontman van Led Zeppelin, die tegenwoordig maar liefst drie gitaristen inschakelt om de plaats van zijn oude makker Jimmy Page in te nemen. Voor het eerst in de twaalf jaar sinds het uiteenvallen van zijn groep lijkt Plant er weer zin in te hebben. Minstens de helft van zijn repertoire bestaat uit oude Zeppelin-nummers en met zijn geoefende stembanden produceert hij als vanouds een geluid van ronkende stofzuigers en piepende banden.

Als zanger van de meest succesvolle popgroep van de jaren zeventig drukte Robert Plant zijn stempel op de ontwikkeling van de hardrock. Zijn heroïsche pose vond navolging van velen. Led Zeppelin werd niet alleen beroemd vanwege de fantasierijke manier waarop blues- en folkinvloeden in de muziek werden verwerkt, maar vooral ook om de excessen op het gebied van seks, drugs en rock & roll. Groupies stonden in de rij voor de hotelkamers, tv-toestellen vlogen om de haverklap uit het raam en de meest wilde verhalen deden de ronde over de duivelse krachten die in Led Zeppelins muziek zouden zijn samengebald.

Bij Plants soloconcerten gaat het er wat minder ruig aan toe. In het country-achtige liedje 29 Palms van zijn laatste cd Fate Of Nations valt vooral de fraaie samenzang op, terwijl er op het podium nadrukkelijk mineraalwater wordt gedronken. Niettemin verbleekt het recente materiaal bij een oud nummer als Ramble On, met een ritmische dynamiek die zeldzaam is geworden in de rock & roll van nu. Het orgel in Thank You en de mandoline en akoestische gitaren in Going To California benadrukten dat Led Zeppelin nooit genoegen nam met de voorspelbare instrumentatie die in de hardrock gebruikelijk is geworden. Plant kreunde en steunde er driftig op los, maar tussen de regels liet hij blijken hoeveel plezier hij had in de frisse benadering door zijn groep van jonge honden. Tussendoor stak hij de draak met de volksmennerij die door mindere goden wordt toegepast om een reactie uit te lokken.

De 45-jarige Plant beperkte zich tot de rustige nummers, al kwam hij er niet onderuit om af te sluiten met de galmende gitaaruitbarsting van Whole Lotta Love. Naast deze variatie op een oude bluessong van Willie Dixon, die pas via de rechter zijn rechtmatige auteursrechten kon opeisen, mocht Plant naar hartelust 'baby' roepen in de traditionele bluessong Baby baby baby I'm gonna leave you. Een ouderwets concert met lange instrumentale passages en een opmerkelijke solo op de akoestische gitaar werd afgesloten met een rondje opzwepende rock & roll. Zonder in al te voorspelbare patronen te vervallen, heeft Robert Plant zijn greep nog geenszins verloren op de drie akkoorden, het jungleritme en de oerkreten waar het allemaal om draait.