Nota: economische teruggang remt energiebesparingen af; Kabinet wil scherper energiebeleid

DEN HAAG, 21 DEC. Bij de huidige lage economische groei is de doelstelling van de regering om tegen het jaar 2000 20 procent energiebesparing te realiseren, niet haalbaar. Daarom moeten huishoudens, het motorverkeer en de kantoren- en dienstensector de komende jaren een grotere bijdrage aan de energiebesparing leveren. Dat kan door strengere normen voor verwarmings- en huishoudelijke apparatuur en bij nieuwbouw van woningen en kantoren, door energiebesparing te belonen, de variabele autokosten te verhogen en de energie-technologie verder te verbeteren.

Dit blijkt uit de Vervolgnota energiebesparing die vandaag tegelijk met het Milieubeleidsplan-II is gepubliceerd. Het kabinet handhaaft de doelstelling die het in 1990 in zijn eerste nota energiebesparing lanceerde, om de uitstoot van het broeikasgas kooldioxyde in het jaar 2000 met 3 à 5 procent te verminderen. Maar door de lagere economische groei die voor de komende jaren wordt verwacht (gemiddeld 2 procent in plaats van 2,5 procent zoals in 1990 werd aangenomen) wordt het besparingsdoel van 20 procent bij ongewijzigd beleid niet gehaald.

In 1990 werd als doelstelling genomen dat Nederland in tien jaar tijd 20 procent efficiënter met zijn energieverbruik zou moeten omspringen. Nu wordt verwacht dat slechts 17 procent kan worden bereikt, omdat er door de lagere economische groei minder energie wordt verbruikt en dus minder echt wordt bespaard. Maar ook het tempo van investeringen in nieuwe technologie ligt nu lager.

De industrie scoort in het besparingsbeleid vrij hoog, want met 16 bedrijfstakken zijn nu, drie jaar nadat het beleid met de nota van 1990 werd ingezet, meerjarenafspraken gemaakt over een besparing van 20 procent tot het jaar 2000. Met 11 bedrijfstakken heeft het ministerie van economische zaken intentieverklaringen getekend, om hetzelfde doel binnen bereik te brengen. In totaal is 80 procent van het industriële energieverbruik daarmee 'gedekt', ofwel 30 procent van het totale Nederlandse energieverbruik. Een groot succes zijn de warmte-krachtcentrales, kleine centrales die zowel elektriciteit als warmte produceren, voor de industrie, tuinbouw en stadsverwarming. Eind 1995 zal de doelstelling om in totaal voor 5.500 megawatt vermogen aan WKK-centrales te bouwen, al worden gehaald.

De huishoudens en kleine bedrijven, samen goed voor 20 procent van het energieverbruik, halen 75 procent van de doelstelling van 1990, maar de sectoren gebouwen (zowel woningen als kantoren en bedrijfsgebouwen) blijven duidelijk achter. Volgens een evaluatie-onderzoek is de belangrijkste reden dat het hier gaat om grote aantallen kleinverbruikers die moeilijk bereikbaar zijn. Het verkeer haalt slechts 50 procent van de doelstelling, waarbij het vrachtverkeer het meest achterblijft. Daarbij is niet de mobiliteit, maar het energieverbruik per gereden afstand als uitgangspunt genomen. Economische zaken is voor verhoging van de variabele autokosten (onder andere de brandstofkosten) om een zuiniger gedrag en de ontwikkeling van zuiniger motoren te stimuleren, maar dat kan slechts in Europees verband worden doorgevoerd in verband met de grenseffecten.

Het ministerie streeft in de nieuwe nota naar uitbreiding van het systeem van meerjarenafspraken tot 90 procent van de industrie en tot de gehele dienstensector. Om de kleinere bedrijven en de kantoren ook te bereiken, wordt een grotere rol weggelegd voor de plaatselijke en regionale energie-distributiebedrijven (de GEB's). Die gaan de subsidiëring voor een groot deel overnemen van het ministerie van EZ, ze gaan meer adviezen voor energiebesparing geven aan hun klanten en betalen de kosten daarvan uit de opbrengst van het Milieu Actie Plan (MAP) waarvoor de kleinverbruikers met een opslag op hun gas- en elektriciteitsrekening betalen. De bijdrage van het MAP aan de activiteiten voor energiebesparing wordt verhoogd van 20 tot 33 procent. Huishoudens krijgen in de toekomst een beloning als ze een bepaalde hoeveelheid stroom en gas besparen. Momenteel loopt het zogenoemde 'snip-experiment' bij het energiebedrijf in Groningen en Drente: 100 gulden korting op de rekening als het verbruik met een bepaald cijfer vermindert. Ook wordt overwogen een deel van het vast recht voor de gas en elektriciteitsmeters om te slaan op het verbruik, waardoor ook een besparingsprikkel zou worden gegeven.

Economische Zaken vermindert zijn totaalbedrag aan subsidies met circa 20 procent, tot 420 miljoen gulden per jaar. Uitzondering op de subsidievermindering vormen de duurzame energiebronnen, als zonne- en windenergie, waterkracht en warmtewinning uit biomassa. In het jaar 2000 zou 3 procent van de Nederlandse energiebehoefte door duurzame bronnen geleverd moeten worden.

Economische Zaken wil ook de rol van de warmte-krachtcentrales in Nederland uitbreiden, tot een vermogen van 8.000 megawatt in het jaar 2000. Deze centrales draaien niet allemaal continue, zoals een aantal grote stroomfabrieken in Nederland, maar als een vermogen van 8.000 megewatt wordt bereikt nemen ze in 2000 ongeveer een derde van de totale elektriciteitsproduktie voor hun rekening.