'Kok trof betere boekhouding aan'

De Eerste Kamer debatteert vandaag met minister Kok over het begrotingsbeleid. CDA-senator prof.dr.P.B. Boorsma hekelt de 'slappe knieën' van het kabinet-Lubbers/Kok. 'De omvang van de staatsschuld is een grotere bedreiging voor de Nederlandse economie dan de lage lonen-landen.'

Peter Boorsma kiest, met steun van fractiegenoot en CDA-partijvoorzitter Van Velzen, voor de confrontatie-politiek. “Ik zit hier niet om het kabinet-Lubbers/Kok in stand te houden. Ik zit hier om wetten te toetsen als volksvertegenwoordiger. De Eerste Kamer heeft soms gelijk, maar het kabinet krijgt gelijk.” Maar, zegt Boorsma met een kleine stemverheffing, “met machtsmiddelen, niet op basis van argumenten. Dat is onze ervaring van de afgelopen jaren. Misschien wordt die deze week bevestigd.”

Minister Kok en staatssecretaris Van Amelsvoort bespreken met de senatoren de Miljoenennota 1994 en het belastingplan. Het kabinet verhoogt het huurwaardeforfait, de belasting voor huiseigenaren, en schrapt de inflatiecorrectie in de loon- en inkomstenbelasting. Twee 'heilige CDA-huisjes' worden gesloopt. “Te vuur en te zwaard bestrijden we de berekeningsmethode die het kabinet hanteert bij het huurwaardeforfait. Tevergeefs. Bij vorige verhogingen zijn we gezwicht voor het machtswoord, niet voor de argumenten.”

De argumenten die het kabinet hanteert bij het schrappen van de inflatiecorrectie typeert de CDA-senator als 'slap' en 'niet consequent'. Hij onderstreept dat werkgelegenheid 'prioriteit nummer één voor het kabinet is'. Het schrappen van de inflatiecorrectie is volgens het kabinet onderdeel van de financiering van het beleid. Boorsma: “Onzin. De regering heeft beloofd om de wig (het verschil tussen bruto en netto loon) te verkleinen; het schrappen van de inflatiecorrectie staat haaks op deze belofte.”

Aan de vooravond van de financiële beschouwingen heeft het gesprek plaats op een zolderkamertje in het gebouw van de Eerste Kamer. De gastheer verontschuldigt zich. “Het liefst ontvang ik mijn gasten in de statige senaatskamers; de sfeer die bij het ambt past.” Sinds 1987 is de 49-jarige Boorsma lid van de CDA-fractie in de Eerste Kamer. Hij is hoogleraar openbare financiën aan de Technische Universiteit Twente, bekleedt tal van maatschappelijk functies en was lid van de commissie-Zijlstra die het CDA adviseerde over de financiële paragraaf van het verkiezingsprogramma.

Bij de financiële beschouwingen van vorig jaar diende Boorsma een motie in waarbij het kabinet werd gevraagd politiek gevoelige onderwerpen in een apart wetsontwerp te presenteren. “Ik ben fel tegen het schrappen van de inflatiecorrectie. Het is nu samen met bijvoorbeeld de accijnsverhogingen en het arbeidskostenforfait een onderdeel van het belastingplan. Maar op dat ene onderdeel zou ik het kabinet graag naar huis sturen.”

Toch pleit Boorsma voor een voortzetting van deze coalitie. “Zoals in Argentinië Menem in staat is de macht van de vakbonden te kraken; zo moet je de PvdA in de regering hebben bij het corrigeren van de sociale zekerheid.” Het kabinet Lubbers/Kok heeft een 'cultuurschok' te weeg gebracht in het denken over de sociale zekerheid. “De sociaal-democraten zijn nu rijp om te regeren. Het is daarom jammer dat er bij de volgende formatie weer een derde moet aanschuiven. Immers, die moet het besturen nog leren.”

De waardering voor dr. H.O.C.R. Ruding, de voorganger van Kok op Financiën , heeft Boorsma nooit onder stoelen of banken gestoken. De financieel-economische politiek werd tot ver in de jaren zeventig beheerst door keynesiaans opgeleide economen. De aflossing op de staatsschuld werd niet bij het financieringstekort van het rijk opgeteld. Zo stond het in de boekjes. Men accepteerde dat de schuld niet werd afgelost. “Maar de omvang van de staatsschuld is een grotere bedreiging voor de Nederlandse economie dan de lage lonen-landen”, verzucht Boorsma.

“Ruding was de eerste die het financieringstekort en de collectieve lastendruk (som van belastingen en sociale premies, red.) omlaag wilde brengen. Hij heeft een einde gemaakt aan de verslonzing van het financiële beleid. Hij heeft daadkrachtig de boekhouding van de overheid op nieuwe leest geschoeid. Dit is van cruciaal belang voor het in de hand houden van de overheidsuitgaven.”

Volgens de CDA-econoom is Kok 'een waardig opvolger van Onno Ruding' want onder zijn bewind is het beheer van de overheidsuitgaven verder verbeterd. “Sommige PvdA-economen als Flip de Kam en Rick van der Ploeg schrijven dit toe aan de kwaliteiten van de huidige minister van financiën. Maar Kok trof bij zijn aantreden een betere boekhouding aan. En de PvdA-leider had er zijn zinnen op gezet. Hij wilde het beeld uitstralen van een Partij van de Arbeid die zuinig op de centen kan zijn.”

Pag.18: 'Beleid van tandje lager is honderd procent fout'

Na de vraag of Kok een betere minister van financiën is dan Ruding kijkt Boorsma een paar seconden zwijgzaam naar het plafond. Op college-toon: “Bij de beoordeling van het financieel beleid moet je kijken naar de ambities, en de mate waarin de ambities zijn verwezenlijkt. En bij een verschil moet je nagaan hoe dat zo is gekomen. Er is een aantal criteria om het financieel-economisch beleid te beoordelen: financieringstekort, collectieve lastendruk, en samenstelling van de uitgaven.”

“Het financieringstekort vind ik de meest interessante. Het moest terug naar 3,25 procent van het nationaal inkomen in 1994. De Miljoenennota 1994 raamt voor volgend jaar een tekort van 3,9. De regering heeft ons steeds verzekerd dat een financieringstekort van 3,25 procent een ijzeren randvoorwaarde is voor het beleid. Tijdens lezingen en spreekbeurten kreeg ik vaak de vraag 'denkt u dat de regering 3,25 procent haalt'. Ik heb steeds gezegd 'daar ben ik, minister Kok kennende, honderd procent van overtuigd'. Ik was zeer teleurgesteld toen Kok met het verhaal kwam dat het wel wat minder kon met de bezuinigingen, het beroemde tandje minder. Ik voelde me in mijn hemd gezet.”

“Kok schrijft in de Miljoenennota, zo vervolgt Boorsma, dat het tekort volgend jaar zal uitkomen op 3,9 procent. Met mijn andere pet op heb ik berekend dat het financieringstekort volgend jaar uitkomt op 5 à 6 procent. Ik corrigeer voor de incidentele ontvangsten, zoals de verkoop van de PTT-aandelen, en voor technische aanpassingen, zoals de inkomsten uit de verkoop van schoolgebouwen. “De ontwikkeling van het vorderingssaldo van de overheid bewijst mijn gelijk. Het zogenoemde EMU-tekort is gestegen van 2,5 procent in 1991 tot 3,6 procent van het bruto binnenlands produkt in 1994. Met andere woorden de regering heeft weinig bereikt.”

Het argument van Kok om minder te bezuinigen is de slechte economische situatie. Meer bezuinigen zou een bedreiging zijn voor de werkgelegenheid.

“Ik zou het verhaal van Kok geloofwaardig hebben gevonden als er in 1990, een economisch topjaar, extra zou zijn bezuinigd. Een tandje meer. Ik vind het buitengewoon zwak dat conjuncturele argumenten alleen in een periode van laagconjunctuur worden gebruikt.”

“Mijn tweede bezwaar is dat ik de donkere economische wolken niet snel zie overdrijven. De concurrentie neemt toe, de globalisering staat voor de deur en onze economische concurrentiepositie is onvoldoende opgewassen tegen de nieuwe situatie. Ik weet waar ik over praat, want in woon in Twente. De textielindustrie is kapot gegaan, omdat de produktie is verdwenen naar lage lonen-landen als Polen en Marokko. Zo kan het ook andere bedrijfstakken vergaan.”

“Dat verhaal van een 'tandje lager' is honderd procent fout. Het kabinet had fors moeten bezuinigen op de overheidsuitgaven om de lasten voor het bedrijfsleven te verlagen. Dat is de beste basis voor werk.”

CDA en PvdA hebben in het regeerakkoord afgesproken dat de collectieve lastendruk in deze kabinetsperiode niet mag stijgen; met een gezamenlijke belasting- en premiedruk van 53 procent van het nationaal inkomen in 1994 lijkt dat bijna te lukken.

“In 1989 is de collectieve lastendruk voor een aantal zaken technisch gecorrigeerd. Vervolgens is er ruimte gemaakt voor nieuw beleid en is de startwaarde geprikt op 53,3 procent. Ik heb over deze kwestie vragen gesteld, maar nooit een bevredigend antwoord van Kok gekregen. En wat is nu de prakijk geweest: in 1990 was de lastendruk hoger dan in 1989; en in 1991 tot en met 1993 schoot men door het plafond heen. Dit jaar zelfs met ruim een procentpunt. Ik vind dat slecht beleid. Het kabinet stelt, verbaal, werkgelegenheid op de eerste plaats. Maar zo'n hoge lastendruk is bijzonder slecht voor de werkgelegenheid.”

Uw derde beoordelingscriterium is de samenstelling van de uitgaven van het rijk.

“Ik kan me volledig vinden in de typering van minister Andriessen van economische zaken. Hij onderstreept steeds dat we een wat exotische samenstelling van de uitgaven hebben. Bij internationale vergelijking vallen we op door de hoge overdrachtsuitgaven en de lage investeringen. De regering heeft steeds gezegd: 'Wij trekken extra geld uit voor de investeringen en wij gaan de belasting verhogen voor de investeringen'. Dat is begonnen in 1990, maar wat waren die extra investeringen in 1990? Er is wel een extra last opgelegd, maar er is niet extra geïnvesteerd. In 1991 hetzelfde verhaal. Van 1992 tot 1994 stijgen de overheidsinvesteringen van 2 tot 3 procent van het totaal van de rijksuitgaven; een beweginkje ten goede. De grote klapper komt in de volgende kabinetsperiode met projecten als de Betuwelijn en Schiphol. Maar de lasten zijn al verzwaard voordat de spa in de grond gaat.”

Maar is Kok een betere minister van financiën dan Ruding?

“Ik vind Onno iets beter.”

Wat heeft in een volgende kabinetsperiode prioriteit: een lager financieringstekort of een lagere lastendruk?

Resoluut: “Een lager financieringstekort. Hoe kleiner het financieringstekort, hoe kleiner de bijdrage aan de groei van de staatsschuld. Alle mooie beloftes van het kabinet ten spijt: de staatsschuld stijgt nog steeds. Pas in 1996 wordt een daling van de schuldquote (staatsschuld uitgedrukt als percentage van het nationaal inkomen, red.) verwacht en de ervaring leert dat dat proces meestal wel wat vertraging oploopt. De staatschuld moet omlaag, want als het slechter gaat met de economie hangt de staatsschuld als een molensteen om onze nek. Dan moeten we PTT-aandelen verkopen om de rente te kunnen betalen.”

Is de hoogte van het financieringstekort ook een belemmering om een zogeheten structureel begrotingsbeleid te voeren? (Bij een dergelijk beleid worden de overheidsuitgaven niet ieder jaar afgestemd op de inkomsten, maar op de verwachte gemiddelde economische groei en de daaruit voortvloeiende gemiddelde inkomsten voor een periode van bijvoorbeeld vier jaar.)

“Ik verwacht voor 1994 en 1995 een belastingtegenvaller die het gevolg is van de slechte economische resultaten in 1992-1993. Voor het nieuwe kabinet is de tijd nog niet rijp voor het voeren van een structureel begrotingsbeleid. De studiegroep begrotingsruimte die deze zomer daarover een advies heeft uitgebracht, wil in de eerste twee jaren van de komende kabinetsperiode fors bezuinigen op de uitgaven. Een goed, maar gratuit advies.”

“We zitten op een financieringstekort van 5 à 6 procent. Dat moet dus eerst worden verlaagd naar 1,5 à 2 procent en pas dan kun je een structureel beleid voeren. Het nieuwe kabinet moet een tijdpad uitzetten om het financieringstekort terug te brengen naar 1,5 procent in 1998.”

De hoogleraar Boorsma fronst de wenkbrauwen. “Eigenlijk een vervelend verhaal. Maar ik zie geen andere weg.'