J.L Locher directeur Haags museum; Museum is tempel, geen warenhuis

ROTTERDAM, 21 DEC. De benoeming vandaag van dr. Hans Locher tot directeur van het Haags Gemeentemuseum in Den Haag is geen verrassing. Maanden geleden al viel zijn naam als enige kandidaat om Rudi Fuchs op te volgen. Fuchs werd 1 februari dit jaar als directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam aangesteld. Locher heeft sinds diens vertrek gefunctioneerd als interim-directeur van het Haags Gemeentemuseum en tijdens de onlangs gehouden persconferentie rondom het Mondriaanjaar 1994 werd hij door Frits Becht, directeur van de coördinerende Mondriaan-stichting, beslist niet per abuis als museumdirecteur geïntroduceerd.

Locher, die 1 januari 1994 aantreedt, kent het Haagse museum van haver tot gort. Na zijn studie kunstgeschiedenis in Leiden was het het eerste museum waar hij in 1965 als conservator kwam te werken. Hij kreeg het prentenkabinet, later de afdeling moderne kunst onder beheer tijdens het directeurschap van L.J.F. Wijsenbeek en kocht in die functie werken aan van onder anderen Co Westerik, Anton Heyboer, J.C.J. van der Heyden en Dick Raaijmakers.

In 1979, toen twee jaar eerder Wijsenbeeks opvolger Th. van Velzen was aangetreden, vertrok Locher (1938, Koepang, Timor) - inmiddels cum laude gepromoveerd op een aantal opstellen die in boekvorm verschenen onder de titel Vormgeving en structuur - naar Groningen voor een hoogleraarschap aan de Rijksuniversiteit. Hij zou er bijna negen jaar colleges geven in de kunstgeschiedenis van de 19de en 20ste eeuw om op verzoek van Rudi Fuchs in 1988 terug te keren naar het Haags Gemeentemuseum, waar hij werd benoemd tot conservator collecties.

In die laatste functie heeft Locher directeur Fuchs, die vaak in het buitenland was, vervangen. Ingewijden beweren dan ook dat het recente beleid van het Haags Gemeentemuseum niet door Fuchs maar grotendeels door Locher is vormgegeven. Locher was 'de ideoloog'. Dat beleid, uiteengezet in de nota 1991-1996 die later unaniem door de Haagse raad werd goedgekeurd, behelst onder meer het opschonen van de Haagse collectie (het halveren van het huidige bestand van 150.000 stukken), de herinrichting van het museum, die inmiddels gedeeltelijk is voltooid, en de verkoop van drie werken van Picasso en Monet ten behoeve van een ruimer aankoopfonds.

In een interview met deze krant op 5 maart dit jaar onderstreepte Locher het belang van educatie binnen het museum. Hijzelf houdt er graag lezingen voor studenten en toehoorders en streeft er ook naar deze museumactiviteit fors uit te breiden. Zijn kunsthistorische deskundigheid in educatief opzicht wordt alom geprezen.

Locher zelf is voorstander van een museum als wetenschappelijk instituut, een studiecentrum, dat collecties beheert. Hij is een aanhanger van de zogenaamde tempelgedachte, aldus een bestuurslid van de Vereniging van Vrienden van het museum; “de tempel versus het warenhuis waar jan en alleman in- en uitloopt.” Hij vertoont zich ook niet graag bij openbare gelegenheden als openingen van tentoonstellingen, maar trekt zich liever terug in zijn kamer.

Het maken van 'blockbusters', publiekstrekkende tentoonstellingen, staat haaks op zijn aan Fuchs' ideeën verwante visie van een statisch museum met bij voorkeur stille zalen. “Hangt er volgens Locher iets goed op een bepaalde plek dan komt het er niet meer vanaf”, aldus een ingewijde. Of zoals Locher het zelf in 1988 in het beeldende kunsttijdschrift Metropolis M formuleerde: “Ik kreeg en heb nog steeds de indruk dat bij een dynamische museumpolitiek het conserveren ondergeschikt wordt gemaakt aan het verteren. (...) Steeds maar dat onvermoeibare verhangen, verplaatsen en verzenden...”. Een presentatie is niet iets eenmaligs, maar iets definitiefs, en dat moet een hele generatie meegaan, beweerde hij toen.

Lochers eigen voorkeur gaat vooral uit naar de muziekcollectie van het Haags Gemeentemuseum. Het is kenmerkend voor zijn beleid dat het zogenaamde muziekarchief voorlopig wordt opgeslagen in de nieuwe vleugel. Een belangrijk deel van het museum, dat voorlopig dus niet meer in aanmerking komt voor tentoonstellingen.

Locher treedt aan in een zorgelijke periode voor het museum. Het bezoekersaantal van 311.000 in 1988 is gedaald tot circa 70.000 in 1992. Door de onder Fuchs' bewind ontstane budoverschrijdingen van 5,3 miljoen gulden in 1991 en 1992 kunnen de komende vijf jaar geen aankopen worden gedaan. Het museum moet verder 2,8 miljoen gulden bezuinigen. En aangezien het financiële tekort tot inkrimping van het personeelsbestand kan leiden, manifesteren zich spanningen binnen de museumstaf.