Ik? Vraagteken

De Revisor, 20 jaar. Querido, 96 blz.ƒ17,50

De Revisor viert zijn twintigste verjaardag met een nummer waarin meer dan zestig auteurs hun zelfportret schrijven. Ad Zuiderent het kortst: “Ik? Vraagteken.”

Helga Ruebsamen ('Helse Gluurdame') speelt evenals Barber van de Pol een vrolijk spel met haar identiteit. Want, “Ik zou het zelfportret van een schrijver of een schrijfster nooit of te nimmer vertrouwen. Schrijvers! Vandaag zijn zij Blauwbaard, morgen zijn bruid.”

Redacteur Jan Kuijper koos, vanzelfsprekend, voor de sonnetvorm. In 'Megalomaan': “Plejaden dichters zijn mij voor geweest / in het verbeelden van juist dat gevoel, / maar allemaal bevat ik ze in mijn geest: / gevoel en gedachte hebben één doel, / een doel dat alle krachten aan zich bindt, / zodat jij alles binnen in mij vindt.”

Redactrice Maria van Daalen heeft een heel andere opvatting van zichzelf en het dichterschap. “Koud spring ik los of daar begint het: kauwen / van vlees, tot de huid gevuld met persend / lijkevocht. Ik kijk om en zie mijn beweging.”

Redacteur Dirk Ayelt Kooiman vermag in zijn zelfportret weer eens niet te boeien. De Revisors vierde redactielid, Christien Kok, verlangt naar verwondering en kinderlijke nieuwsgierigheid. “Als het aan mij lag stond ik aan ieder kraam- en sterfbed. Alles staat geschreven, men kan de werkelijkheid missen, maar het is grappig om te zien hoezeer de mens zich houdt aan wat de fictie dicteert.”

Over het jarige tijdschrift valt in dit jubileumnummer weinig karakteristieks op te merken. Het is een parade van ik-literatuur, korte en (misschien daardoor) fijnzinnige zelfschetsjes. Wellicht ook door de geringe toegestane lengte is het trouvaille-gehalte hoog. Guépin: “Zelfkennis wens ik mijn vijanden toe.” Brakman, knorrig: “Het is voor een schrijver die een universum bij elkaar heeft geschreven dat wortelt in de eigen persoon, wat schrijnend te worden gevraagd naar een zelfportret.” Brand Corstius is onweerstaanbaar geestig. “IK ben ongeduldig. Daarom ben ik misschien lastig, slim, veeleisend en oppervlakkig. IK heb haast. Ik kan me al bij voorbaat doodergeren aan het getalm bij mijn begrafenis. Ik zou nooit deze laatste zin pas lezen als hij aan de beurt was. En dat ik vijftig jaar heb moeten wachten tot ik dit verbluffend eenvoudige inzicht in mijzelf verkreeg, dat is onvergeeflijk.”