Huilend voor een schilderij

Raster 36. De Bezige Bij, 160 blz.ƒ25

Beeldgedichten. Het woord staat niet in Van Dale, maar de nieuwe Raster gaat er over. Redacteur Willem van Toorn vertelt bij wijze van inleiding over een Arnhems literatuurfestival waar hij samen met andere dichters was uitgenodigd een gedicht te schrijven bij een kunstwerk uit het Gemeentemuseum van Arnhem. Een beeldgedicht: een literair kunstwerk dat geïnspireerd is op een schilderij, sculptuur of andere vorm van beeldende kunst. Het vreemde is dat er in Raster niet meer dan drie afbeeldingen staan; in 'Tekst tegen Beeld' gaat het geschrevene vóór. En het is een heel onzeker soort schrijven, de medewerkers aan dit nummer doen pas na lang aarzelen en dan nog eens erg voorzichtig uitspraken over de relatie tussen beeldende kunst en literatuur.

“Het heeft iets raars, dat gedoe over tekst en beeld, ik geloof omdat er te veel wetenschap wordt bedreven. Tekst staat voor mijn gevoel niet anders tot beeld dan beeld (of maker) tot werkelijkheid (hou vast, zet stil, verteer) (voordat het jou - ) maar over 'beeld' kun je al gauw wat zeggen, dus springen al die woordzuchtige onderzoekers daar bovenop met hun disciplines.” Eva Gerlach kwam er al helemaal niet uit.

Een beeldend kunstenaar met de gave van het woord is Jonathan Bragdon. Voor hem is het praten over schilderijen een onmisbare, dagelijkse bezigheid die bijna tot kunst verheven wordt. “Het maken van een schilderij, het kijken naar een schilderij en het praten over een schilderij, dat alles speelt zich af op de oorspronkelijke lokatie, waar de geest versmelt in het lichaam en het lichaam sporen voelt van iets wat het zelf niet is.”

Beeldend kunstenaar Arno Kramer, die zelf ook over kunst schrijft, maakt een paar losse opmerkingen over de Nederlandse kunstkritiek. Die is weinig emotioneel, “men bewandelt veilige, voorzichtige paden en betrekt betrekkelijk weinig uitgesproken standpunten (-) Hoe kan het toch dat het schrijven over oorspronkelijkheid, over autonomie en authenticiteit, zo onuitgesproken en onpersoonlijk gebeurt?” Over de heel actuele kunst schrijft volgens hem alleen Anna Tilroe teksten van groot belang. Jonge literaire auteurs wagen zich niet gauw aan beeldende kunst van hun leeftijdgenoten, volgens Kramer wellicht omdat 'de beeldende kunst zich in deze eeuw zo snel en extreem ontwikkeld heeft dat zij een voorsprong lijkt te hebben genomen op de andere kunsten'. Anna Tilroe schrijft hier in Raster uitgerekend over deze kwestie. Loopt de literatuur ver achter op de beeldende kunst? In elk geval is in de schilderkunst het woord 'actueel' niet besmet, zoals in de literatuur, evenmin als 'groepering' of 'stroming', constateert Tilroe.

Elders beargumenteert Huub Beurskens juist dat de literatuur in de tweede helft van de twintigste eeuw een voorsprong op de beeldende kunst heeft genomen - “Nu zouden de schilders iets kunnen leren van de literatuur”.

Een mooi nummer van weifelen en twijfelen. Bernlef: “Het niet kunnen huilen om een schilderij zou hem, denk ik, wel eens kunnen zitten in het geluidloze van schilderijen.”