Duitsland profiteert het meest van Gatt-akkoord

Duitsland reageerde opvallend lauw op het vorige week beklonken GATT-akkoord. Toch had kanselier Kohl - die met een geniale diplomatieke spagaat zowel Frankrijk als de VS wist te overtuigen - met evenveel recht als Mitterrand en Clinton de vlag kunnen uitsteken. Waarom? Juist omdat zijn Europese en Atlantische partners dat konden doen.

Leve de GATT en zijn na zeven taaie jaren vorige week woensdag dan toch geslaagde Uruguay-ronde. Leve Duitsland ook, dat uitzonderlijk grote belangen had maar eigenaardig kalm reageerde, bijna alsof het zichzelf een stille knipoog gaf. Het weekblad Der Spiegel illustreert die kalmte deze week onbedoeld met een voor zijn doen summiere terugblik van anderhalf kantje. Toch zou Bonn, zeker kanselier Kohl en zijn Kabinet, de vlag met nog meer recht kunnen uitsteken dan, zeg, zijn zo onmisbare vrienden in Washington en Parijs. Bijvoorbeeld juist omdat die alletwee de vlag uit konden steken.

In de VS kan het GATT-akkoord worden toegejuicht omdat het, net als de NAFTA-overeenkomst met Mexico en Canada, economisch goed is voor (Noord-)Amerika. In Frankrijk, de agrarische exporteur die de traditionele liefde voor zijn boeren en een op dit stuk 'zakelijk' gevoed anti-Amerikanisme zó cultiveert dat men haast zou vergeten dat het land tevens industriestaat is, kan het oordeel over het GATT-akkoord ook als het ware 'ééndimensionaler', dus vooral economisch en 'nationaal' zijn. Al zou Parijs er dan ten laatste de as met Bonn en de Europese Unie niet voor hebben willen riskeren en al blijft de behandeling van het GATT-dossier daar óók interessant wegens het vaste vraagstuk van de classe politique. Namelijk wie er wel de meeste punten aan heeft overgehouden voor de volgende presidentsverkiezingen.

Voor Duitsland golden meer dimensies. Ook dit keer. Het heeft economische maar daarnaast zeker zoveel politieke redenen om tevreden te zijn. Want er is niet alleen een GATT-akkoord, dat - zij het pas vanaf 1995 en vooral in de Eerste wereld - als een welkom stimuleringsprogramma zal gaan werken. Nee, bovendien is het ook nog gelukt, waarschijnlijk mede dankzij het feit dat de uitkomst eerder het protectionisme op een lager peil reglementeert dan principieel mikt op vrijhandel, om zowel de verhoudingen binnen de Europese Unie als de Amerikaans-Europese betrekkingen ondanks jaren keihard internationaal pokeren aardig onbeschadigd te houden. Als iets de Duitse belangen dient, is het juist deze tweeslag als resultaat.

Daaraan heeft Duitsland, als partner begeerd object voor Parijs en Washington en tegelijkertijd zelf steeds meer een hoofdacteur-in-spagaathouding op de Europese en de Atlantische assen, een belangrijke bijdrage moeten leveren en ook geleverd. Een bijdrage op de snijlijnen van economie en politiek en op de snijlijnen van botsende Atlantische en Europese belangen. Met de val van het communisme in Oost-Europa en de even onverwachte Duitse eenwording in '90 als tussentijdse complicatie én aanjager.

Westerse media doen - de homo universalis is al heel lang uitgestorven - vaak aan interne arbeidsverdeling en thematische rubricering. Dat heeft voordelen, veel voordelen zelfs, maar ook nadelen. Een voorbeeld. In de jaren tachtig was het niet ongewoon dat de gemiddelde redacteur economie het hoofd schudde over de onverantwoordelijke uitgavenpolitiek van de Amerikaanse regering-Reagan en in het bijzonder over de groei van het Pentagon-budget. In het beste geval kon die uitgaven-explosie op korte termijn aangenaam heten voor de toen kwijnende Europese conjunctuur. Maar een buitenland-redacteur kon destijds, of achteraf, die Amerikaanse politiek in verband brengen met de uiteindelijke ineenstorting van Gorbatsjovs Sovjet-Unie. Ja, misschien zelfs, desnoods achteraf, schrijven dat Reagans devies Let us outspend the Russians daarvoor nog iets beslissender was geweest dan het CVSE-verdrag van Helsinki van 1975.

Daargelaten in hoeverre Gorbatsjov nu een kind van Reagan of van 'Helsinki' was, daargelaten hoezeer hij zich vergiste inzake de politieke en economische moderniseringscapaciteit van de Sovjet-Unie, zeker is dat de vaak thematisch-rubrieksgewijs tussen politiek en economie onderscheidende media daaromtrent moeilijk tot 'overspannende' conclusies kwamen.

Het was daarom, hoe 'anders' de GATT-dossiers ook mochten zijn, interessant om vorige week (12 december) in de Süddeutsche Zeitung, een stuk van de Brusselse correspondent te lezen waarin een poging was gewaagd om de Duitse rol in de lange aanloop naar het GATT-akkoord zo omvattend te schetsen. Namelijk zó dat de ogenschijnlijk botsende belangen van de politieke en de economische dossiers met elkaar werden verbonden.

De correspondent van die Münchense krant prees de Duitse GATT-politiek sinds 1986 onder meer omdat zij haar verplichte dubbelrol jegens de tegenvoeters in Washington en Parijs zo bekwaam had vervuld. Zijn lof kwam erop neer dat de Bondsrepubliek ondanks haar Atlantische veiligheidsbelangen in Washington en haar principiële voorkeur voor vrijhandel nooit had verzuimd te beseffen dat de Europese Unie en Duitslands Europese integratie alleen kunnen bestaan als de as tussen Bonn en het cynisch-colbertistische Parijs goed functioneert.

Meer nog, die correspondent beschreef hoe Duitsland jarenlang in een geniale diplomatieke spagaat zowel Frankrijk als de VS probeerde te overtuigen dat zij inschikkelijk moesten zijn, met het risico van een Duits afhaken langs de Europese of de Atlantische as als drukmiddel. Ergo: in Parijs heette het dat kanselier Kohl de preferenties van de door EG-subsidies begunstigde landbouwexporteur Frankrijk zeker niet tegen de zin van Washington (en Londen) wilde honoreren, terwijl Kohl c.s in de VS de indruk wisten te wekken dat enig GATT-akkoord rekening moest houden met de agrarische belangen van Frankrijk, alsook met de voor Duitsland en Europa imperatieve waarde van de as Bonn-Parijs.

De Brusselse correspondent van de Süddeutsche maakt in dit verband nóg een mooie notitie. Namelijk dat de VS aan het einde van de eerste helft van de jaren tachtig tot de conclusie hadden moeten komen dat hun industriële exportpositie zó verzwakt was geraakt dat agrarische dossiers, en daarmee tevens de GATT-competitie met Frankrijk, zóveel gewichtiger waren geworden dat ook de Duitse rol tussen deze beide onmisbare contrahenten was veranderd. Tot zover, kort weergegeven, die schets uit de Süddeutsche.

Wat het blad niet schrijft is dat de GATT-positie van de Duitse industriële wereldkampioen export na 1990, vijf jaar later dus, door een onverwacht zware en structurele economische recessie ook zó nadelig veranderde dat Duitsland zelf anders naar de Uruguay-ronde ging kijken en daardoor als het ware wat dichter bij Frankrijk kwam te staan. Dat bleek in de beide afgelopen jaren, waarin de Duitse eenheidseuforie in psychologisch én economische opzicht verdween en kanselier Kohl af en toe ook zijn eigen thuisfront verraste met apaiserende GATT-verklaringen in de richting van Parijs.

Object van gefundeerde begeerte én acteur was Kohls Bondsrepubliek voor 1989 natuurlijk al. Zelf was de kanselier als geen andere politicus maatgevend voor de doorbreking van de midden jaren tachtig veelbeklaagde 'Eurosclerose', onder meer via de stap - voorjaar 1989 - naar de vrije Europese binnenmarkt van eind '92. Eind jaren tachtig stelde Washington de Bondsrepubliek als belangrijkste NAVO-partner, op het hoogtepunt van weer een rakettentwist, een 'gedeeld leiderschap' voor, tot woede van Parijs en verdriet van Maggie Thatcher in Londen. Even later, toen Mitterrand en Thatcher nog hevig boudeerden over de naderende Duitse eenheid, gaf VS-president George Bush daaraan zijn bijna onvoorwaardelijke steun, onder meer door naast Kohl, en met de ministers van buitenlandse zaken Baker en Genscher op de duozit, als een Atlantische co-accelerator op te treden in de '2 plus 4-onderhandelingen' met Bonn, Moskou, Parijs, Londen en het DDR-overgangsregime in Oost-Berlijn.

Weer even later, eind 1991, vroegen en kregen (vooral) Frankrijk en andere EG-partners in de verdragen van Maastricht hun prijs voor de in hun optiek eigenlijk ongewenste Duitse eenwording. Zogezien is het GATT-akkoord van deze week in feite ook een soort Duitse politieke plaatsbepaling. Namelijk tussen Parijs en Washington (en Londen), hoofdsteden waar een GATT-akkoord in zekere zin ook geslikt is als onderdeel van de slag om Duitsland, het land van het Europese Midden, dat bij het Westen moet horen om zich niet (weer) verdacht te maken en dat tegelijkertijd - nieuwe en herstelde dimensie sinds 1990 - in Oost-Europa verplichtingen heeft die het niet kan ontkennen.

Wie - zoals de prettig-goede toon van vandaag het op veel plaatsen lijkt te willen - raillerend schrijft of spreekt over het Europa van de Europese Unie, doorgaans zonder erg veel te kunnen vermelden over een bruikbaar, laat staan: aantrekkelijk, alternatief daarvoor, dreigt een Duits en daarmee een Europees dilemma te miskennen. Een dilemma dat dankzij het recente GATT-akkoord in elk geval niet ernstiger geworden is.

Dat Kohl de vlag vorige week desondanks niet uitstak kan ermee te maken hebben dat de Europese stemming in zijn land, ondanks het zeer grote politieke én economische belang dat Duitsland bij zijn Europese integratie had en heeft, niet denderend is. Zeker niet zó denderend dat het verhaal dat Duitsland er goed aan doet ook in GATT-verband zowel Atlantisch als 'ingebed' in Europa te blijven, makkelijk te verkopen is. Dat verhaal over bezwering van 's lands bijna structurele labiliteit in Europa mag dan sinds de Duitse eenwording nog 'meer waar' zijn, het is in recessietijd voor grote kiezersgroepen ook een moeilijk verhaal. Een verhaal - pas op, de buren hebben wel redenen om benauwd voor ons te zijn! - dat Mitterrands, Majors en Lubbersen niet aan hùn kiezers hoeven te vertellen.

Maar, nu Atlantis en Europa in de GATT enigszins verzoend zijn, kan Kohl weer even op tijd spelen. Hij weet dat het luid-populistische anti-Europeanisme van bijvoorbeeld de Beierse CSU-premier Edmund Stoiber, de man die hem hardop een 'Europese illusionist' noemt, dadelijk goeddeels zal verstommen. Namelijk als de Beierse verkiezingen komend voorjaar achter de rug zijn en het de CSU al dan niet gelukt is om haar absolute meerderheid te bewaren tegen de SPD, de extreem-rechtse Republikaner en de gevaarlijk-aantrekkelijke kiesvereniging die de ontslagen Europese topambtenaar Manfred Brunner, de 'Maastricht-criticus' die ondanks Stoibers vrijages geen CSU-lid wenst te worden, gaat oprichten. Meer nog: Kohl - die niet buiten een sterke CSU in München en Bonn kan - moet paradoxaal genoeg zelfs hopen dat Stoibers enge electorale vlieger zo meteen opgaat.

In de tweede helft van 1994, in de zes maanden dus waarin ook de volgende Bondsdagverkiezingen vallen, lost Duitsland het arm-dwarse Griekenland af als roulerend voorzitter van de Europese Unie. Dat wordt een mooi va-et-vient van vele prominente Europese politici in Bonn en op tv-schermen van Duitse kiezers, die voor zulke uitheemse glamour behoorlijk gevoelig zijn. Kohl staat er niet goed voor maar hij is op het GATT-koord tussen Washington en Parijs overeind gebleven en er zijn eerste voorspellingen over het aantrekken van de economische conjunctuur in de loop van 1994. Anders gezegd: hij wankelt wel (weer) maar hij heeft de volgende Bondsdagverkiezingen nog niet verloren.