De Winterkoning en de Winterkoningin

The portrait miniatures in the collections of the House of Orange-Nassau door Karen Schaffers-Bodenhausen en Marieke Tiethoff-Spliethoff

Van twee meesters onder de 17de eeuwse miniaturisten, Alexander Cooper en Peter Oliver, werden onlangs tijdens een symposium in Den Haag de verfijnde portretten geprojecteerd van Elizabeth Stuart (1596-1662) en Frederik V (1596-1632), een paar dat beter bekend staat als de Winterkoning en de Winterkoningin. De lotgevallen van twee vorstelijke vluchtelingen.

Berijpte gestalten op tronen van ijs, dat is wat je je voorstelt bij de namen 'Winterkoning' en 'Winterkoningin'. Maar het zijn geen sprookjesfiguren.

De Winterkoning is de bijnaam van Frederik V, keurvorst van de Palts. Hij was een kleinzoon van prins Willem I van Oranje, die in 1575 een derde huwelijk had gesloten met Charlotte de Bourbon. In zeven huwelijksjaren baarde Charlotte zes dochters, van wie Louise Juliana de oudste was.

Deze Oranjeprinses trouwde met Frederik IV van de Palts, leider van de Duitse protestantse Unie. Toen de keurvorst, die vrijwel geen avond nuchter naar bed ging, jong overleed bleef zijn vrouw op het stamslot in Heidelberg met acht kleine kinderen achter. Haar oudste zoon volgde zijn vader op 14-jarige leeftijd op als keurvorst Frederik V. Louise Juliana slaagde er in hem uit te huwelijken aan prinses Elizabeth Stuart, dochter van de protestantse Jacobus I van Groot-Brittanië. De koningsdochter was zestien jaar, mooi, levendig, kunstzinnig en uitermate optimistisch van aard. De even oude Frederik V was net zo knap, zorgeloos en genotzuchtig. Ze werden op slag verliefd en zouden tot het einde toe aan elkaar verknocht blijven.

Aanvankelijk was hun bestaan één aaneenschakeling van festiviteiten. Frederik V zeilde met zijn bruid de Noordzee over en landde in Vlissingen, waar een hartelijke begroeting volgde door zijn neven prins Maurits en Frederik Hendrik van Oranje. Elizabeth, toen al zwanger, beklom kort daarna enthousiast alle treden van de Utrechtse Dom om bij helder weer van het zicht over de Hollandse steden te genieten. Over de Rijn voer de bruidsvloot van vierendertig versierde schepen naar Heidelberg aan de Neckar. In de stad werden ze uitbundig verwelkomd met kanongebulder, triomfbogen en vuurwerk. Frederik en Elizabeth lieten het toch al luxueuze Heidelbergse slot in de loop der jaren uitbreiden en zorgden voor de aanleg van de Hortus Palatinus, de terrastuinen die 'het achtste wereldwonder' werden genoemd. Elizabeth bracht dertien kinderen ter wereld, de miskramen niet meegerekend. Het sprookje zou hiermee passend zijn geëindigd.

Maar toen overleed in 1619 Matthias, keizer van het Heilige Roomse rijk van Duitse natie. Hij werd opgevolgd door de streng katholieke Ferdinand II en daar hadden de Boheemse steden geen vrede mee. Ze kozen eigenmachtig de leider van de protestantse Unie, keurvorst Frederik V, tot hun nieuwe koning en nodigden hem uit om zich in Praag te laten kronen. Frederiks moeder heeft nog getracht hem ervan te weerhouden. Maar Elizabeth schijnt gezegd te hebben: “Je had de moed om de hand van een koningsdochter te vragen, toon nu ook de moed om een koningskroon te aanvaarden.” En dus ondernam het echtpaar opgewekt de reis naar Bohemen.

In Praag werden ze toegejuicht door het protestantse deel van de bevolking. Maar de jezuïeten voorspelden dat Frederik V de kroon van Bohemen niet langer dan één winter zou dragen. Ze spraken al spottend van de Winterkoning en de Winterkoningin. Frederik en Elizabeth richtten de burcht aan de Moldau naar hun smaak in en zetten hun feestelijk bestaan voort met jachtpartijen, sledetochten, maskerspelen en banketten. Toen doemde in de fatale winter van 1620 het keizerlijk leger op, onder aanvoering van de beruchte veldheer Tilly. De koning van Bohemen verzamelde zijn zwakke troepen. Terwijl hij in de eetzaal van het Hradcany aan de maaltijd zat, kon hij in de verte de Witte Berg onderscheiden waar zijn soldaten een verpletterende nederlaag leden. Het kansloze koningspaar stond nog maar één ding te doen: vluchten.

Elizabeth propte handenvol juwelen in haar kleding en rijlaarzen en reed, hoogzwanger, richting Silezië terwijl haar man zijn toevlucht zocht in Moravië. De keizer die de Rijksban over hen had uitgesproken, waarschuwde dat elke vorst of burger die de bannelingen onderdak verleende de doodstraf wachtte. Zo zwierf Elizabeth door de sneeuw, met als trouwe begeleidster haar hofdame Amalia van Solms. Alle deuren, zelfs die van de vroegere protestantse bondgenoten, bleven voor hen gesloten. In een verlaten fort baarde Elizabeth haar vijfde kind. Het was een zoon die ze vernoemde naar de prins van Oranje: Maurits. Maurits bleek de enige prins die de keizer durfde te trotseren en de vluchtelingen asiel verleende.

Via Berlijn en Leeuwarden bereikte Elizabeth Den Haag en nam haar intrek in het Hof van Wassenaer op de Kneuterdijk. De Winterkoning voegde zich bij haar en het gezin werd herenigd. In Praag koelde het keizerlijk leger zijn wraak op de protestantse burgers; spoedig stond de Karelsbrug vol met op staken gespieste hoofden. En Heidelberg werd door de keizerlijke soldaten geplunderd en verwoest. Hiermee was het keurvorstelijk paar al zijn bezittingen kwijtgeraakt.

Nu begonnen de bannelingen een bestaan van vruchteloos hopen op herovering van de Boheemse troon en heimwee naar hun geliefde slot in Heidelberg. De hofdame van de Winterkoningin, Amalia van Solms, trouwde in 1625 Maurits' opvolger Frederik Hendrik, wat de band met de Oranjes versterkte. Hoewel er in politieke kringen werd geklaagd over het geldverslindende vorstelijke gezin op de Kneuterdijk, bleven de Oranjes de Winterkoning trouw steunen. Frederik en Elizabeth waren alleen nog in naam koning en koningin, hun schulden stegen met de dag en konden op den duur niet meer worden afgelost. Toch vormden ze in de ogen der Oranjes een sieraad aan het Stadhouderlijk hof en verleenden het de vorstelijke allure, waarop Amalia van Solms zo gebrand was.

Met het verstrijken der jaren werd de Winterkoningin door de ene ramp na de andere getroffen; haar oudste zoon, kroonprins Frederik Hendrik, verdronk en werd een week voor zijn pasgeboren, zwakke zusje begraven. Zijn broer Lodewijk, vernoemd naar de koning van Frankrijk, stierf op kerstdag. De bouw van een prachtig jachtslot aan de Rijn bij Rhenen zorgde voor enige afleiding. Maar toen overleed ook de Winterkoning. De ontroostbare weduwe zette alleen de strijd om de herovering van de Palts voort, ten behoeve van haar oudste zoon Karel Lodewijk. Veel plezier beleefde ze niet aan haar baldadige kinderen, die in Den Haag de Dolle Palatijnen werden genoemd. Ze schroefden 's nachts de deurknoppen van huizen aan de Voorhout, gooiden ruiten in, molesteerden voorbijgangers en één van hen werd zelfs medeplichtig aan een moord.

De Winterkoningin zou noch Praag noch Heidelberg terugzien. Ze stierf vereenzaamd in 1662 in Engeland. Haar zoon Karel Lodewijk die bij de Vrede van Westfalen (1648) de Rijnpalts had teruggekregen, woonde inmiddels op het slot in Heidelberg. Hij had nog geen geschikte gelegenheid kunnen vinden zijn moeder uit te nodigen voor een bezoek.