Copernicaanse wending

Het sociale zekerheidstelsel dreigt in zijn eigen staart te bijten. In tijden van stagnerende economische groei en toenemende werkloosheid blijkt het niet bestand te zijn tegen de groeiende lastendruk. Het stelsel bezwijkt onder zijn eigen volume.

De voorspelbare reactie daarop is verlaging van de uitkeringen. Na de ingreep in de WAO wordt nu de referte-eis voor de WW aangescherpt. Het valt te voorzien dat in de volgende kabinetsperiode dit afbraakproces wordt voortgezet omdat er geen ander middel lijkt te zijn om de neerwaartse spiraal van stijgende uitkeringen, lagere overheidsinkomsten, hogere premies en verdere uitstoot van arbeid te keren. Deze ontwikkeling zal uitlopen op invoering van een ministelsel waarbij alleen een bodemvoorziening wordt gegarandeerd. Veel zal het niet helpen. De loonkosten zullen immers niet noemenswaard dalen wanneer grote groepen werknemers kans zullen zien zich collectief bij te verzekeren.

De bekostiging van de sociale zekerheid is gekoppeld aan arbeidsplaatsen. Als gevolg daarvan wordt de factor arbeid onevenredig zwaar belast. De totale afdracht van premies en belasting voor een modaal inkomen bedraagt ongeveer 55 procent van het nettoloon. De heffingen op de factor kapitaal zijn veel lager.

Deze onevenwichtigheid kan worden doorbroken door de inkomensoverdrachten voor de sociale zekerheid los te koppelen van arbeidsplaatsen. In een werkdocument van de FNV wordt het idee van een 'produktieheffing' geïntroduceerd. Dit is een percentage van de toegevoegde waarde van het produktieproces in een bedrijf. Als tweede stap wordt een aftrek voor iedere arbeidsplaats voorgesteld, die 'werkgelegenheidsbonus' wordt genoemd. Dit idee wordt in het document een Copernicaanse wending in het denken genoemd. Door de financieringsstructuur van de sociale zekerheid op deze wijze te wijzigen wordt de factor arbeid goedkoper. De 'wig' tussen netto- en brutoloon - algemeen beschouwd als de hoofdoorzaak van de uitstoot van arbeid - is voor een groot deel verdwenen. De loonkosten gaan omlaag zonder dat het nettoloonniveau wordt aangetast. Daardoor wordt ook allerlei werk weer rendabel dat door de hoge arbeidskosten nu niet meer lonend is.

De voortdurende kapitaalintensivering van de produktie maakt de koppeling van inkomensoverdrachten aan arbeidsplaatsen een achterhaalde zaak. Bij produktieheffing wordt de inkomensoverdracht gekoppeld aan de toegevoegde waarde van het produktieproces, en wordt dus onafhankelijk van het aantal arbeidsplaatsen. De van oorsprong individuele solidariteit wordt dan vervangen door een maatschappelijke. Daarmee wordt wel de verzekeringsgedachte opgegeven, produktieheffing is immers een belasting.

De premies voor de loondervingsverzekeringen (werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, ziekte en vervroegde uittreding) alsmede de AOW worden volgens dit voorstel naar produktieheffing overgebracht. De vermindering van de arbeidskosten die hierdoor wordt bereikt, werkt door in de gehele economie. In de eerste plaats treedt een substitutie tussen kapitaalgoederen en arbeid. Investeringen in arbeidsbesparende machines krijgen immers minder prioriteit. Het positieve werkgelegenheidseffect is het grootst op het niveau van lager betaalde en geschoolde arbeid. Dit komt niet slecht uit, omdat de werkloosheid zich vooral voordoet bij lagere geschoolden. De arbeidsproduktiviteit zal dalen. Voor een groot deel is dit het gevolg van de toegenomen arbeidsparticipatie.

Aangezien het de bedoeling is dat de invoering van de produktieheffing lastenneutraal geschiedt zal de winstgevendheid van bedrijven er niet door worden aangetast. Daarom verwachten de opstellers van het plan niet dat bedrijven er aanleiding in zien om zich buiten Nederland te vestigen.

Ze moeten echter toegeven dat er wel een ander nadeel aan kleeft. Een arbeidsbesparende investering levert immers minder op. Dat kan betekenen dat internationaal opererende bedrijven besluiten hun activiteiten naar het buitenland te verplaatsen, omdat een dergelijke investering daar meer oplevert. In dit opzicht kan de concurrentiepositie van Nederland dus worden verzwakt.

Dit is een reden waarom het idee van produktieheffing eigenlijk het best op Europees niveau zou kunnen worden geïntroduceerd. Het zou zeker niet hebben misstaan in het Witboek van de Delors. Als de effecten ervan goed zouden worden doorgerekend zou kunnen blijken of het inderdaad leidt tot vergroting van de arbeidsparticipatie zonder dat wordt overgegaan tot verdere afbraak van de sociale zekerheid of verlaging van de nettolonen. Gezien de uitzichtloosheid van elke andere benadering, is het de moeite waard dit alternatief in de discussie te betrekken.