CDA machtig door soepele omgang met grondslag

De continuïteit in de machtspositie van het CDA is vooral te danken aan politieke pragmatisme. Dit ging gepaard met grote veranderingen in de oorspronkelijke opstelling. Continuïteit in machtspositie hangt dus nauw samen met een belangrijke mate van discontinuïteit wat grondslag en politieke cultuur betreft.

De confessionele partijen zijn in de vorige eeuw ontstaan als principiële oppositie tegen de dominerende burgerlijk-liberale ideologie en cultuur. Daaruit kwam de door A. Kuyper gearticuleerde godsdienstig-politieke antithese voort als grondslag van de politieke verhoudingen. Het confessionalisme van deze partijen staat voor een sterk belijdende, dogmatische, getuigende en moraliserende instelling en is als zodanig de uitdrukking van een van de grondtrekken onzer nationale identiteit, de Hollandse domineestraditie.

Het politieke succes danken deze partijen echter vooral aan de bekwame wijze waarop zij die Hollandse domineestraditie hebben weten te combineren met de niet minder Hollandse burgerlijk-liberale koopmanstraditie. Als het op politieke zaken aankomt, leggen zij een opmerkelijke mate van politiek pragmatisme aan den dag en handelen zij uiteindelijk steeds in de geest van die Hollandse koopmanstraditie.

Dit bleek al in 1917 toen zij bereid bleken het algemeen kiesrecht, ondanks principiële bezwaren hiertegen, te aanvaarden in ruil voor de financiële gelijkstelling van lager openbaar en bijzonder onderwijs. En nadien hebben zij als dat politiek gezien wenselijk was telkens opnieuw principiële confessioneel-christelijke standpunten die te veel weerstand opriepen, en niet langer uitvoerbaar bleken losgelaten. Dit geldt voor hun pricipiële verzet tegen leer- en dienstplicht, de levensbeschouwelijke neutrale staat, de emancipatie van de vrouw, de dekolonisatie van het Koninkrijk, buitenhuwelijkse samenlevingsvormen, liberalisering van homoseksualiteit, abortus en euthanasie en reclame en commercie in radio en televisie.

In de tweede helft van deze eeuw zijn zij zodanig in onze burgerlijk-liberale samenleving en cultuur geïntegreerd, dat zij daarin nog slechts een politieke variant vertegenwoordigen van de burgerlijk-liberale ideologie en beschavingstraditie. In de Koude Oorlog verdedigden we die ideologie en traditie als westerse waarden, die we kunnen samenvatten onder de noemer van de beginselen van de democratische rechtsstaat en de sociale markteconomie.

De Duitse CDU heeft van stonde af aan erkend dat zij slechts een politieke variant is van de burgerlijk-liberale ideologie, die daar grondwettelijk verankerd is en zelfs als onaantastbaar geldt (art. 1 en 20 jo 79 lid 3 GrW) en als liberaal-democratische basisorde het algemeen-politieke referentiekader vormt van de Duitse staatkunde. CDA-ideoloog Hirsch Ballin heeft de burgerlijk-liberale context, waarin het CDA opereert, ook onomwonden erkend. CDA-ideologen als Oostlander en Klop zien het liberalisme daarentegen nog steeds als erfvijand van de christen-democratie. Zij blijven als erfgenaam van de reformatorische staatkunde nog in de ban van de antithese van A. Kuyper, maar dit standpunt vindt in het CDA weinig weerklank meer.

Het confessionalisme is als grondtrek van de Nederlandse identiteit lange tijd vereenzelvigd met de confessioneel-christelijke partijen. Maar men treft het als mentaliteit ook daarbuiten veelvuldig aan. Vooral in socialistische groeperingen geeft men vaak evenzeer en niet zelden nog meer blijk van een sterk belijdende, getuigende en moraliserende instelling.

Als we het CDA vergelijken met de confessionele partijen van weleer vallen de volgende verschillen op: De ARP en de CHU gingen in hun beginselprogramma uit van typisch reformatorische beginselen die we nu nog terugvinden bij klein rechts. Nederland moest in de opvatting van die partijen bestuurd worden als een christelijke staat in protestantse zin. Vanwege die reformatorische oriëntatie hebben zij zich aanvankelijk krachtig verzet tegen het CDA als politieke idee omdat men die in strijd achtte met de historie van ons volk. Vandaar dat men in die partijen aanvankelijk ook weinig of niets voelde voor de term christendemocratie in plaats van confessionele of christelijke partijen. De katholieke staatkunde ging op haar beurt uit van typisch katholieke beginselen en van het natuurrecht en de kerkelijke traditie naast de Openbaring als bron van zedelijke beginselen. Dit was ook de reden waarom A. Kuyper in 1891 niets wilde weten van een alliantie met de roomsen. Hij is daar van teruggekomen om te voorkomen dat de protestantse christenheid voor altoos overgeleverd zou raken aan een ongelovige meerderheid. Zonder roomse steun valt aan een rechtse meerderheid niet te denken. Aldus Kuyper.

In het beginselprogramma van het CDA heeft die confessionele protestantse en roomse erfenis plaatsgemaakt voor een algemeen-christelijke grondslag die aanvankelijk ook beleden is door de VVD. De vier kernbegrippen waarin die grondslag gespecificeerd is, zijn zo algemeen geformuleerd dat het christelijk karakter ervan door prominente christen-democraten terecht ontkend wordt.

De confessionele partijen, aanvankelijk de rechterzijde der Nederlandse politiek, hebben zich na 1945 ontwikkeld tot een typische centrumformatie. Het CDA bouwt hierop voort en ontleent daaraan in belangrijke mate zijn machtspositie, hoewel het officieel blijft ontkennen dat het een centrumpositie inneemt - premier Lubbers gruwt er zelfs van - omdat zo'n positie in strijd zou zijn met een christelijke inspiratie. Dankzij die positie heeft het CDA nogal wat aanhang gewonnen in niet-christelijke kringen waardoor zijn achterban veel geschakeerder is dan die der confessionele partijen. Het heeft nu ook een hindoestaan onder zijn Kamerleden en zich daarmee verder verwijderd van zijn confessioneel-christelijke oorsprong.

Als permanente regeringspartij is het CDA een typische bestuurderspartij geworden. Het politieke pragmatisme heeft daardoor de oorspronkelijke confessioneel-christelijke oriëntatie bijna geheel verdrongen bij de politieke standpuntbepaling. De voormalige AR-voorzitter Veerman signaleerde dit al eind jaren zeventig, toen hij opmerkte dat het appèl op de geloofsovertuiging in de CDA-fractie geen enkel effect sorteert. Daar bekommert men zich alleen om de vraag: hoe zal een bepaald standpunt overkomen bij de kiezers en welk effect heeft dit op de positie van het kabinet?

Door de vermenging van reformatorische en katholieke tradities en nestgeuren en doordat het CDA veel politiek en bestuurlijk talent aantrekt wegens zijn dominerende machtspositie, verschilt de politieke cultuur van die partij aanzienlijk van de confessionele partijen van weleer. Vergeleken met die partijen is het CDA sterk geseculariseerd geraakt en alleen de C in zijn naam en enige vage verwijzingen naar een religieuze achtergrond in het beginselprogramma herinneren nog aan zijn confessioneel-christelijke oorsprong. Het CDA is bovendien een uitgesproken exponent van consensus-politiek, waardoor politieke strijd nog slechts gaat over marginale verschillen, terwijl het christelijk confessionalisme juist is ontstaan als antithese tegen de gevestigde burgerlijk-liberale orde, dus vanuit een polariserende mentaliteit.

De grondlegger van die antithese, A. Kuyper, ging in zijn tijd als prominent exponent van een neo-calvinistisch geïnspireerd nationalisme dat in de anti-revolutionaire of christelijke-historische richting de grondtoon van ons volkskarakter zag, nog uit van een etnisch zuiver natiebesef. Multi-etnische staten zag hij daarom als een abnormaal fenomeen. Het CDA is te dien aanzien een geheel andere opvatting toegedaan.

A. Kuyper zou zich als rigide calvinistisch politicus zeker niet thuis voelen in het CDA; A.F. de Savornin Lohman ook niet, al was die minder anti-rooms dan Kuyper; Schaepman waarschijnlijk meer, gezien diens aanvankelijke voorkeur voor een interconfessionele centrumpartij van katholieken en protestanten naar het voorbeeld van de toenmalige Duitse Centrumpartij.