Amerikanen brengen Gershwins opera zeer ingetogen; Gedempte Porgy and Bess

Voorstelling: Porgy and Bess, van DuBose en Dorothy Heyward en George en Ira Gershwin, door New York Harlem Theatre Productions. Muzikale leiding: William Barkhymer en Chris Nance. Decor: Michael Scott. Regie: Baayork Lee. Gezien: 17/12 Nederlands Congresgebouw, Den Haag. Herhalingen aldaar 21 t/m 28/12; Carré Amsterdam: 18/1-6/2.

Het licht gaat uit en het orkest zet de ouverture in - altijd een veelbelovend moment, en eens te meer als de populaire Gershwin-opera Porgy and Bess, volgestouwd met beroemde melodieën, op het programma staat. Maar in plaats van meeslepende violen en flonkerend koper klinkt er uit de orkestbak niet veel meer dan enig onderaards gerommel op. De thema's, die straks tot al die prachtige songs zullen uitbotten, zijn slechts met moeite te herkennen. Wat moet glinsteren en schetteren, blijft dof en toonloos.

In de Amerikaanse reisproduktie van Porgy and Bess, die tijdens een lange Europese tournee anderhalve week in Den Haag is neergestreken en daarna ook nog naar Amsterdam komt, wordt het onstuimige liefdesverhaal van de wispelturige Bess en de kreupele Porgy met zijn hart van goud op kousevoeten verteld. Smaakvol verzorgd, in een wendbaar prenteboekdecor van planken huizen met planken balkonnetjes, badend in laat middaglicht, en gaaf gezongen, maar ó zo gedempt.

De richtmicrofoons op de speelvloer pikken eerder het getik van de pokerende dobbelstenen op dan de zangstemmen. En een hartveroverende comedy-song als It ain't necessarily so (het onvergetelijke nummer van Sammy Davis jr. in de verfilming) gaat hier vrijwel onopgemerkt voorbij als een lief, pastoraal liedje tijdens een picknick.

Wegens het zware reisschema beschikt New York Harlem Theatre Productions over maar liefst drie Porgy's en drie Bessen. Vrijdagavond zag ik Daniel Washington als Porgy, een reus op lamme voeten met een introverte bariton, en de sopraan Charlae Olaker als een precieuze Bess - alletwee zorgvuldig en toegewijd, maar geen van tweeën begiftigd met het showy talent waarmee de partituur van de Gershwins kan worden losgezongen van het papier.

Hetzelfde geldt, vind ik, voor de rest van het ensemble. Baayork Lee, nota bene één van de grondleggers van de dansmusical A Chorus Line, is bovendien in haar regie met al die klassiek geschoolde zangers heel voorzichtig omgesprongen: in het brede, Cinemascope-achtige beeld van de Prins Willem Alexanderzaal ontrolt zich een weinig beweeglijke vertoning die mij grotendeels onbewogen liet.

Dat laatste ligt ongetwijfeld ook aan de geringe verstaanbaarheid van de zangteksten, die waarschijnlijk méér te maken heeft met het gebrek aan dictie en projectie bij de zangers dan met de onvolkomen geluidstechniek. Voorbij de tiende rij is al nauwelijks meer te volgen waar die mensen het over hebben. En zo schrompelt het liefdesdrama ineen tot een ingetogen recital zonder veel betekenis (misschien biedt Carré straks een betere ambiance dan de koelte van het Nederlands Congresgebouw). Ik had, bij het verlaten van de zaal, mijn hoofd nog vol Porgy and Bess willen hebben, maar in werkelijkheid was ik bij de garderobe al bijna weer vergeten wat ik had gezien.