Windig legde naoorlogse tijd meesterlijk vast

Tentoonstelling: Ad Windig. Stedelijk Museum Alkmaar, tot en met 9 januari. Di t/m vrij 10-17, za en zo 13-17.

Ad Windig is een van die fotografen die uit zijn oeuvre eindeloos overzichten kan samenstellen en je toch iedere keer weer het gevoel kan geven dat je iets nieuws onder ogen krijgt.

Dit wonderbaarlijke effect zit hem niet zozeer in wát hij laat zien, maar in hoe hij dat doet. Het is een kwestie van techniek dus, zij het niet in de kille, mechanische betekenis van het woord. Die kant van het vak beheerste Windig dusdanig dat zijn foto's een speels en terloops gemak uitstralen. Techniek is in zijn foto's wat het is - een voorwaarde, niet meer. Dat 'hoe' slaat vooral op wat hij met die techniek wist te bereiken.

Windig, dit jaar eenentachtig geworden, heeft zijn produktieve jaren achter zich, en zijn staat van dienst is inmiddels ruimschoots geboekstaafd in tentoonstellingen en boeken, recentelijk aangevuld met een door Joke Pronk en Tineke de Ruyter samengestelde bijdrage over Windig in het Lexicon Geschiedenis der Nederlandse Fotografie.

De feiten die daaruit naar voren komen zijn steeds dezelfde: de lessen van Emmy Andriesse en Carel Blazer - van de een in het kijken, van de ander in de techniek -, het illegale werk in de oorlog en het lidmaatschap van wat later bekend zou worden als De Ondergedoken Camera, het werk voor De Waarheid en het oorlogscorrespondentschap voor ABC-press, de na-oorlogse opdrachten van bedrijven als Proost en Brandt, Berghuizer Papierfabriek en de Nieuwe Afrikaanse Handelsvereniging die hem in staat stelde een reis te maken door Centraal-Afrika, de rol als mede-oprichter en jarenlang bestuurslid van de fotografen-organisatie GKF.

Iedere keer zijn er ook weer dezelfde foto's: de voeten van Familie G. bij de kachel tijdens de hongerwinter, de vier stijf en zwart geklede vrouwen op de Dam tijdens de dodenherdenking, de hekjes in het sneeuwlandschap van Ober Iberg, de half achter een schuur verscholen stoomtrein van Enkhuizen naar Alkmaar, de verstandelijk gehandicapten wandelend door de duinen - alles schots en scheef maar als groep bijeen.

Ook in de honderd foto's omvattende tentoonstelling die momenteel in het Stedelijk Museum Alkmaar te zien is, komen die feiten en foto's weer aan bod. Twee van de drie zalen die de expositie beslaat zijn er aan gewijd, waarbij één geheel gevuld is met foto's van de oorlog en de bevrijding, dit naar aanleiding van de verschijning van het boek Ad Windig - Amsterdam, van bezet naar bevrijd.

Het zwaartepunt van de tentoonstelling ligt evenwel op de derde en grootste zaal, waarin Windig foto's toont die hij in het begin van de jaren vijftig maakte in Alkmaar. Het merendeel van die foto's werd niet eerder gepubliceerd en is dus feitelijk 'nieuw' te noemen, al is wat je erop ziet bekend: spelende kinderen in autoloze straten, schaatsen op de gracht, de uitstalling in de plaatselijke winkel-van-sinkel, het vertier op de kermis. En uiteraard de kaasmarkt: een weinig indrukwekkende foto die in deze context alles weg heeft van een verplicht nummertje.

Het zijn foto's waarop een stukje van de naoorlogse tijd bewaard is gebleven. Maar er is nog iets op bewaard gebleven: de overtuiging van de fotograaf dat hij wat hij fotografeerde voor het eerst (zo) zag, het is de zorgvuldigheid, de voor de fotografengeneratie waartoe hij behoort zo kenmerkende meesterlijke beheersing van het licht of de rustige en trefzekere compositie, en ook het afzien van alle dramatiek, zeker in de afdruk die precies en zuiver is. Die facetten maken dat Windigs foto's hoe willekeurig en toevallig ze er ook uit mogen zien, alle willekeur en toeval uitsluiten.

Zo sterk was deze overtuiging dat het gevolg is dat iedere foto van Windig, ook na jaren - bekend of onbekend - telkens weer een nieuwe foto lijkt. En zoals dat gaat met nieuwe foto's vallen er ook weer nieuwe dingen in te ontdekken. Zoals het feit bijvoorbeeld dat er vrijwel nergens een leeftijdsgenoot van de maker op voorkomt: het zijn kinderen of bejaarden die je ziet. Misschien ligt de verklaring in Windigs oorlogservaringen en kon hij geen leeftijdsgenoten zien zonder zich die ene cruciale vraag te stellen: goed of fout. Wellicht dat hij als zovelen van zijn generatie de ouderen zag als overlevenden voor wie vrede en de oude dag samenvielen, en de kinderen als de bouwers van een betere toekomst.

Het is in dit laatste dat de sfeer in Windigs werk grote overeenkomsten vertoont met die in het werk van Cas Oorthuys. Maar waar Oorthuys een man was van het grote gebaar, is Windig er een van de kleine penseelstreek. Nergens wordt die mooier en kenmerkender neergezet dan op de foto die Windig maakte van twee muzikanten op de Alkmaarse oktober-kermis; op de voorgrond een jongetje - zwarte trui, tweed colbert en achteloze kuif - met een saxofoon, achter hem een oude man met een schuiftrompet. Twee generaties, de jeugd en de ouderdom, en eentje is er overgeslagen. Je ziet in het jongetje met de kuif, hoe de frivole jaren zestig eraan komen - zo glashelder heb ook ik het nog niet eerder gezien.