Staalakkoord draagt sporen van rommelig compromis

ROTTERDAM, 20 DEC. Na enkele mislukte pogingen is het er op de valreep van 1993 toch nog van gekomen: de Europese industrieministers hebben elkaar vrijdag gevonden in een akkoord over de sanering van de staalsector. Er komt nog een laatste ronde van overheidssteun in ruil waarvoor staalbedrijven in vooral Zuid-Europa produktiecapaciteit inleveren. Bedrijven in Spanje, Italië, Portugal en Duitsland zullen samen 5,5 miljoen ton produktiecapaciteit schrappen in ruil voor 17 miljard gulden subsidie.

De beurt is nu aan de niet-gesubsidieerde staalondernemingen in de rest van Europa om op vrijwillige basis nog ten minste een 10 miljoen ton capaciteit in te leveren. Dat is bij benadering de hoeveelheid die moet verdwijnen om vraag en aanbod van staal in de Europese Unie weer enigszins met elkaar in evenwicht te brengen. Uitdrukkelijk is afgesproken dat dit de allerlaatste subsidieronde voor de Europese staalindustrie zal zijn.

Nu het akkoord er ligt, zou de Europese Commissie - vooral Commissaris Karel van Miert (concurrentiebeleid) heeft zich het afgelopen jaar sterk gemaakt voor beëindiging van de staalsubsidies - verheugd moeten zijn. Maar het tegendeel is het geval. Juist nu groeit binnen de Commissie het pessimisme over de vraag of de algehele sanering van de staalsector met succes kan worden afgerond. Van Miert houdt er rekening mee dat er uiteindelijk niet genoeg capaciteit zal worden ingeleverd en dat zich in toch weer gevallen van - al dan niet verkapte - staatssteun zullen voordoen.

De somberheid van Brussel is, gezien de ervaringen met eerdere saneringsrondes in de staalsector, verklaarbaar. Ook bij de vorige grote inkrimping, begin jaren tachtig, is ondanks miljardensubsidies uiteindelijk toch te weinig produktiecapaciteit verdwenen. Dat is zelfs een van de dieper liggende oorzaken van de huidige staalcrisis. In de sterk cyclische staalindustrie is het betrekkelijk gemakkelijk in tijden van crisis een deel van de produktieinstallaties 'in de mottenballen' te leggen. Maar zolang hoogovens, staalfabrieken en walserijen niet echt zijn afgebroken en verschrot is de verleiding voor de eigenaren groot om ze, zodra de staalconjunctuur aantrekt, weer te gebruiken. Zo bijt de industrie zich telkens in haar eigen staart.

Ook nu bestaat het risico dat een aantal (Zuideuropese) landen vooral geïnteresseerd was in het met subsidies saneren van hun zwaar verlieslijdende staatsstaalbedrijven. Ze hebben weliswaar beloofd die bedrijven te privatiseren, maar wat daarvan terechtkomt, dient te worden afgewacht.

Het staalakkoord van afgelopen vrijdag draagt alle sporen van een rommelig compromis. Zo is het bijvoorbeeld onbegrijpelijk dat, tegen de achtergrond van de bestaande overcapaciteit van 25 tot 30 miljoen ton, wordt toegestaan dat het Oostduitse Eko Stahl - met subsidiegeld nota bene - zijn warmwalscapaciteit mag uitbreiden. Er zijn ook tekenen dat ondernemingen waarvan werd aangenomen dat zij capaciteit zouden inleveren, toch weer op een of andere manier op de been worden gehouden, zoals het Duitse Klöckner.

Het heeft er alle schijn van dat de jongste saneringsronde in het Europese staal voorlopig vooral een subsidieronde is. Het inleveren van produktiecapaciteit wordt, voor het belangrijkste deel, overgelaten aan de (particuliere) staalondernemingen. Het zal tussen die bedrijven nog een hele touwtrekkerij worden om uit te maken wie wat precies gaat sluiten, temeer daar in principe is afgesproken dat ondernemingen die buiten schot blijven zullen meebetalen aan de sanering van binnen- of buitenlandse concurrenten. Het Nederlandse Hoogovens heeft zich al bij voorbaat aan de zijlijn opgesteld. Hoogovens is gebonden aan de afspraak mee te betalen aan de 'solidariteitsheffing', maar zelf produktie inleveren wordt in IJmuiden van de hand gewezen met het argument dat Hoogovens in de jaren tachtig al een warmbandwalserij heeft gesloten en daarmee toen al meer heeft gedaan dan van haar werd verlangd.

“Beter dit akkoord dan geen akkoord', zei EU-commissaris Van Miert vrijdag. Hij heeft in zoverre gelijk dat het gesloten compromis op korte termijn chaos op de Europese staalmarkt voorkomt. Was het staaloverleg opnieuw mislukt, dan zou de ellende waarschijnlijk niet te overzien zijn geweest. Vrijwel zeker zouden dan enkele grote staalondernemingen ten onder zijn gegaan. Nu is er ten minste nog een kans dat de industrie, gedreven door de noodzaak een eind te maken aan de miljardenverliezen, haar eigen stoep schoonveegt. Als het goed is zouden alleen de meest efficiënte Europese staalfabrieken in stand moeten blijven. Maar gezien de ervaringen uit het verleden moet worden gevreesd dat nationale belangen toch weer de overhand krijgen. In de Europese staalindustrie hebben sociale argumenten altijd meer de boventoon gevoerd dan bedrijfseconomische. Met de huidige recessie en hoge werkloosheid zou het een wonder zijn als dat nu ineens zou veranderen.