In de Aya Sofia van Amsterdam

Salaat al Djoema - het vrijdaggebed. Honderden moslims op kousevoeten in de moskee. De imam staat voor de djema'a (de congregatie), achter zijn rug ligt Mekka. Wie binnenkomt groet Allah, buigt en knielt een paar keer in gebed, en gaat dan zitten luisteren.

De voorganger spreekt over de ziekten van de geest: kwaadspreken en kwaaddenken. Als deze ziekten zijn uitgebannen, zegt hij, kunnen de mensen als broeders leven, moslims en niet-moslims. Af en toe gaat de preek over in een gezamenlijk gebed. De woorden stromen uit zijn mond, de gemeenschap antwoordt in een collectieve zucht, alsof ze de bladzijde omslaat van een enorm boek.

Als de dienst voorbij is, wandelt imam Omar Boujiraar door de menigte. Overal moet hij handen schudden, af en toe blijft hij staan om te praten. Boujiraar heeft prestige, al was het maar om de plaats waar hij spreekt. De Grote Moskee, een voormalige garage aan de Weesperzijde, is de Aya Sofia van Amsterdam.

Zo onaantastbaar als de jonge, baardige Boujiraar er nu uitziet in zijn witte kaftan, is het haast onvoorstelbaar dat hij in maart als een schooljongen werd teruggestuurd naar Marokko. Het moskeebestuur kon, luidde de verklaring, de antisemitische en anti-homoseksuele uitspraken van de imam niet langer aanhoren. In een radioprogramma bijvoorbeeld, had Boujiraar gesproken over 'vieze', 'slechte' en 'vervloekte joden'.

Een antisemitische en homofobe imam de laan uitsturen, dat klinkt in Nederland meer dan redelijk, dat klinkt modern en verlicht. “Je zou het bestuur moeten vragen hoe daar over joden en homoseksuelen wordt gedacht”, zegt moskeebezoeker Allal Oulali schamper. Wat hij van joden vindt, laat hij in het midden. Wat homoseksualiteit betreft, daar laat de Koran volgens hem geen misverstand over bestaan: dat is slecht.

Wat Oulali maar zeggen wil, is dat die opvattingen van de imam voor het moskeebestuur nooit aanleiding kunnen zijn geweest hem te ontslaan. Nee, de werkelijke reden, aldus Oulali, is voor moslims veel begrijpelijker: Boujiraar houdt zich te zeer afzijdig van de politiek.

De kwestie bestaat al zolang er moslims in Nederland zijn: bouwen zij aan een toekomst in hun nieuwe vaderland, of blijven ze loyaal aan het land van herkomst? Marokko is er veel aan gelegen om de landgenoten overzee aan zich te binden. 's Lands belangrijkste bron van inkomsten is de deviezenstroom die via de emigranten binnenvloeit. Om zich van die trouw te verzekeren, houdt de Marokkaanse regering zijn onderdanen in den vreemde nauwlettend in de gaten. Soms via het consulaat, vaak via moskeeën. Actieve loyaliteit van de imam is een voorwaarde.

Een van de machtigste Marokkanen in Nederland is de voorzitter van de moskee-organisatie UMMON, M. Echarrouti. “Zelfs de consul is bang voor hem”, zegt een moskeebezoeker. Echarrouti is ook lid van het bestuur van de Grote Moskee. In maart liepen de spanningen hoog op, toen de djema'a van het bestuur wilde weten waarom de imam was weggestuurd. In een van die 'gesprekken' met het bestuur, raakte Oulali twee tanden kwijt. De bezoekers kwamen met stokken en andere wapens onder hun jas naar de dienst.

Nu lijken de gemoederen weer bedaard, maar volgens Oulali en zijn vriend is er niks veranderd. “We hadden geëist dat wij, de djema'a het bestuur mochten kiezen, dat er een nieuw statuut zou komen. Ze hebben alleen de imam laten terugkomen.” En daar ging het Oulali en de zijnen niet om. Zij willen dat hun kinderen moslims in Nederland kunnen zijn, zonder steeds de hete adem van Marokko in de nek te voelen.

Oulali heeft goede hoop: “Over tien jaar is de spanning over.” Dan is de Marokkaanse gemeenschap werkelijk geïntegreerd in Nederland en daar kunnen de Echarrouti's niets aan veranderen. Zijn twintigjarige zoon schudt het hoofd. Te lang, veel te lang duurt dat.