'Het mag van mij meer over kaas gaan'; Internationale politiek volgens L.C. BRINKMAN

Op buitenlands-politiek terrein geldt L.C. Brinkman, de belangrijkste kandidaat voor het volgende premierschap, als een grote onbekende. Niettemin heeft de fractievoorzitter de afgelopen jaren druk gereisd om zich ook op deze kant van het komend staatsmanschap voor te bereiden. De afgelopen week bezocht hij samen met vrouw, woordvoerder, en twee fractiegenoten Israel op uitnodiging van de regering in Jeruzalem. Een reisverslag en een profiel van de buitenlands-politieke denkbeelden van een 'anti-politicus'.

Voor het King David Hotel in Jeruzalem wappert de Nederlandse driekleur. Men verwacht hoog bezoek. Zelfs bell-boy Benny weet hoe hoog. “Is he the supposedly next prime minister of the Netherlands”, vraagt hij op eerbiedige fluistertoon nadat Brinkman met zijn gevolg de balie is gepasseerd, op weg naar de mooiste suite in het hotel. Ook de burgemeester van Jeruzalem, Ehud Olmert, heeft geen weet van slechte opiniepeilingen voor het CDA. Aan het eind van zijn onderhoud met Brinkman geeft Olmert de 'next prime minister' vast wat adviezen mee.

In een dergelijke behaaglijke sfeer, ver van huis, spreekt Brinkman zelf ook vrijer over de toekomst na mei 1994. Tijdens een gesprek in de zwarte regeringslimousine van de Israelische regering op weg naar Tel Aviv schemert het komend premierschap als het ware tussen zijn woorden door. Op de vraag of Nederlands straks een minister-president krijgt die weinig buitenlands-politieke ervaring heeft terwijl dat laatste wel steeds meer een vereiste wordt, zegt hij: “Dat is waar. Maar wat ook waar is, is dat iedereen die minister of minister-president werd, zijn netwerk nog voor een groot gedeelte moest opbouwen. Lubbers had voordat hij premier werd enige tijd in het buitenland gewerkt, ik niet. Maar laten we niet vergeten dat we straks ook nog een minister van Buitenlandse Zaken hebben! Het ambt van minister-president is een moeilijk vak. De ene komt er als minister van justitie (Van Agt, red.), de ander als minister van Economische Zaken (Lubbers, red.) en de derde weer van een andere discipline. Ieder brengt het zijne mee.”

Het chagrijn en de onzekerheid van de weken ervoor, toen de fractievoorzitter in eigen land hevig onder vuur lag tijdens de zoveelste WAO-discussie, is geweken. Zelfverzekerd beweegt Brinkman zich tussen generaals, leden van de regering en van de Knesseth, en Palestijnse vertegenwoordigers. Aan zijn houding is niet te merken dat de buitenlandse politiek voor de voormalig topambtenaar binnenlands bestuur op het ministerie van Binnenlandse Zaken lange tijd terra incognita was, een jaar bestuurswerk als VU-student voor de Studentenvereniging voor Internationale Betrekkingen daargelaten.

Internationaal staatsmanschap lijkt dan ook - tot op zekere hoogte - te leren. Veel reizen, gesprekken met de juiste hooggeplaatste persoonlijkheden, goede adviseurs en een enkele cursus om taalkundige enormiteiten te voorkomen (I. Vorrink: je suis le ministre du milieu) helpen de younger statesman aardig op weg. Brinkman zegt over zijn talenkennis: “Ik spreek sommige van mijn talen minder dan Ruud Lubbers, maar ook dat is een vak dat je kunt leren.”

In het rijtje buitenlandse bezoeken dat hij als fractieleider bracht (onder meer Duitsland, Engeland, Frankrijk, België, Verenigde Staten, de toenmalige Sovjet-Unie en Japan) ontbreekt een Arabisch land. Israel daarentegen komt er, sinds eind vorige week, twee keer in voor, hetgeen met name in katholieke kringen van het CDA aanleiding gaf tot enig commentaar. Duidt dit niet op teveel protestantse sympathie voor het Heilige Land?

Brinkman vindt van niet. Hij wijst erop zowel in 1990 als nu behalve Israelische ministers zoals Shimon Peres ook Palestijnse vertegenwoordigers uit de bezette gebieden te hebben ontmoet. Hij spreekt dan ook van een “even-handed” benadering. Toch blijkt na een bezoek aan Ein Gedi, de oudste en rijkste kibboets in het land, waar eigenlijk zijn hart ligt. Brinkman spreekt met “groot ontzag en bewondering” over het werk in de kibboets, “met name ook vanwege het verschil dat de één in een stukje woestijn druk bezig is terwijl de ander wat meer een afwachtende houding aanneemt.”

Behalve het maken van reizen heeft Brinkman zich de afgelopen jaren ook intensief laten voorlichten over buitenlands-politieke aangelegenheden. Partijgenoten als fractiespecialist J. de Hoop Scheffer, ontwikkelingshulpdeskundige J. van Gennip, oud-gediende N. Schmelzer, en buitenlandsecretaris J.W. Wiggers behoorden tot de kring van geraadpleegde adviseurs. Enkelen van hen werkten mee aan de maiden-speech op het gebied van buitenlandse politiek die Brinkman op 3 december hield tijdens een conferentie in Wassenaar met christen-democratische vertegenwoordigers uit Oost-Europa.

In zijn voordracht over de ontwikkeling van Midden- en Oost-Europa repte Brinkman nauwelijks van de banden met de Verenigde Staten waarvoor met name oud-minister H. van den Broek zich altijd zo sterk maakte. In verband met de opening van Midden- en Oost-Europa, de opbouw van de democratie aldaar en de noodzaak de relaties met Duitsland te verstevigen zei Brinkman: “The continental element of our foreign policy should therefore be strengthened.” De reden is onder meer een bestuurlijke, zal de oud-topambtenaar later zeggen: “In Midden- en Oost-Europa moet er een lacune in bestuur en democratie worden opgevuld. Amerika heeft ons mandje suggesties echt niet nodig.”

Het is ongeveer elf uur in de ochtend en twee dagen na de mislukte top tussen minister-president Rabin en PLO-leider Arafat, als een colonne van twee Israelische regeringsauto's met de Nederlandse delegatie Jericho binnenrijdt. Op een vriendelijk pleintje tussen het Palestijnse gemeentehuis en een Israelische politiepost stopt de karavaan, die wordt begeleid door een zwaarbewapende legerjeep. Eén van de militairen met een onwaarschijnlijke boeventronie stelt zich op enkele meters afstand op, de Uzi in de aanslag. Tijdens een quasi-spontaan praatje met het groepje Palestijnen dat op het pleintje rondhangt, stelt een deel van het gezelschap zich op de hoogte van de gevoelens over het uitstel van de terugtrekking van de Israelische troepen. Brinkman wil echter vooral weten wat de komst van PLO-leider Arafat naar de stad praktisch voor hen zal veranderen: of het werkgelegenheid zal brengen, de leefomgeving zal verbeteren, hoe het staat met het bestuur en administratie van de stad.

Zoals de kaasboer denkt dat de wereld veel kaas nodig heeft, zo vermoedt de oud-topambtenaar Brinkman in het buitenland een grote behoefte aan praktisch, bestuurlijk handelen. Over zijn gesprek met Palestijnse vertegenwoordigers van een dag eerder rapporteert hij: “Ik merkte dat men zo langzamerhand af wil van de politieke vraag in de autonomie-discussie: welke kant gaan we nu op, maar meer toe wil naar het moment waarop aan de opbouw van besturen en raden kan worden gewerkt. Buitenlandse politiek is voor mij vooral een vraag van: hoe weegt het op de hand?” Daarbij mag ook het economische aspect wat hem betreft zwaarder gaan wegen: “Hoe drukte men dat vroeger ook al weer uit: Le diplomat ne parle pas fromage? Nou, wat mij betreft mag het best meer over kaas en handel gaan in de buitenlandse politiek.”

Hoe zwaar de veertig miljoen 'op de hand weegt' die de Nederlandse regering vorige week aan PLO-leider Arafat heeft toegezegd voor de aanleg van een haven in de strook van Gaza, weet Brinkman nog niet. Hij vindt het te vroeg voor een definitief oordeel. Toch laat hij twijfel doorschemeren. Heeft het havenproject niet teveel een prestige-karakter? Zijn er geen andere delen van de infrastructuur die dringender verbetering behoeven? Als de voortekenen niet bedriegen, kan het kabinet kritische vragen van de CDA-fractie verwachten.

Praktisch ingesteld, niet al te visionair en oplossingsgericht, zo positioneert Brinkman zichzelf. Hoewel hij de oplossing van het conflict in Bosnië “de grootste morele uitdaging van deze tijd” noemt, moet er ook weer niet teveel tijd worden verdaan met het schetsen van morele dilemma's en het voeren van publieke debatten, vindt hij. “Ik huiver een beetje voor de gedachte om een debat te voeren waarbij vooral partijpolitieke verschillen worden uitvergroot. Ik ben meer geneigd te zoeken naar het praktisch-bestuurlijk compromis.”

Om dezelfde reden veroorlooft hij zich forse vraagtekens te zetten bij een andere met veel prestige omgeven kwestie: het twee weken geleden gepubliceerde werkgelegenheidsplan van Jacques Delors, voorzitter van de Europese commissie. Waar premier Lubbers, getipt als opvolger van Delors, met instemming sprak over het plan van de commissievoorzitter, ziet de aankomend premier het witboek meer als een “dik studieboek” waarin geen keuzes worden gemaakt.

“Het enige nieuwe instrument is dat Brussel aanvullende garanties geeft voor leningen van Europese regeringen voor investeringen in de infrastructuur. Voor het overige legt het witboek de zaken sterk terug bij de nationale regeringen die iets uit het plan mogen kiezen. Dat is jammer want je zoekt toch naar een gezamenlijke, Europese lijn in de keuze tussen werk en inkomen. Die zie ik niet. Dat is vervelend. Het lukt nationaal beter pas op de plaats te maken in lonen en uitkeringen als de Europese partners hetzelfde doen.”

De Europese samenwerking zou ook in andere opzichten best wat steviger gestalte mogen krijgen, vindt Brinkman. Vooral op het terrein van de coördinatie van de migratiepolitiek zal de Europese Unie zichzelf moeten bewijzen. Naar aanleiding van een bezoek aan het Israelische ministerie van immigratie ('ministry of absorption') vertelt Brinkman: “In Israel ziet men immigratie als dankbaar element van economische ontwikkeling, terwijl we in Europa er met een zekere huivering over praten. Maar het verschil is ook dat de inburgering in Israel op taalkundig en economisch terrein veel dwingender verloopt dan bij ons, iets dat we in Nederland de komende jaren ook zullen moeten doen. Zo krijgt men hier in Israel een bepaalde lening voor huisvesting, voor verdere opleiding, of voor de start van een bedrijfje. Bovendien helpt de overheid de immigrant heel concreet met het zoeken naar werk. Daardoor is het slagingspercentage op de arbeidsmarkt van immigranten veel hoger dan bij ons. De uitkering die mensen in Nederland krijgen zou gerichter gebruikt moeten worden voor het krijgen van werk.”

Voor een succesvolle integratie is het volgens Brinkman echter net zo goed van belang dat de eigen bevolking enige binding voelt met de immigranten. Ook op dat punt is dringend verbetering nodig. “We hebben in Europa helemaal geen taakverdeling in het opvangen van asielzoekers. Het is voor de Chinees, Somaliër of Vietnamees een toevalstreffer of hij in Rotterdam of Frankfurt terechtkomt. Je zou in het verlengde van de discussie over de concentratie van geld voor ontwikkelingshulp, erover kunnen denken of we niet naar een vorm van Europese afstemming moeten waarbij uitgegaan wordt van de emotionele binding met bepaalde landen. Dat hoeven niet perse alleen ex-koloniën te zijn. Maar op het moment dat je, zoals nu, mensen uit vijftig landen binnen je grenzen hebt, is het heel lastig voor de publieke opinie om daarmee binding te voelen. Het gaat mij niet om een getalsmatige verdeling zoals bij quota, maar om een functionele, geografische verdeling tussen Europese landen. Ik vind het van groot belang dat je investeert in begrip en herkenbaarheid. De school in Zambia waaraan je je geld geeft, is per slot gevoelsmatig ook een beetje van jou.”