Hanneke's hand

“Nou?”

“Tja, proberen te stelpen...”

“Uiteraard, maar hoe?”

“Met een tampon denk ik.”

Hij had verteld dat hij verloskundige was, al twintig jaar, waarop ik hem een vraag had voorgelegd. Stel: je doet een thuisbevalling en na de geboorte treedt bij de moeder een bloeding op die niet, zoals meestal, stopt als het laatste stukje placenta eruit is. Wat doe je dan?

Het is natuurlijk belachelijk iemand met zo'n vraag te overvallen, maar ik wilde gewoon nog eens controleren of wij werkelijk zoveel geluk gehad hebben als iedereen zegt.

Harry's halve antwoord was geruststellend en beangstigend tegelijk: weer één die het niet doorgehad zou hebben.

Ik ontkwam er natuurlijk niet aan Harry het verhaal achter de vraag te vertellen.

De bevalling duurde 36 uur. Vier keer was Hanneke, de vroedvrouw, langsgekomen en weer weggegaan, maar op het laatst moest ze toch nog met spoed worden opgeroepen. Een uur later was het kind er. Terwijl de jonge ouders het om beurten vasthielden wijdden Hanneke en Merel de kraamhulp zich aan de nasleep.

Het was een klein half uur na de geboorte toen ze me de draadloze telefoon en een kaartje in handen duwde en op precies dezelfde toon waarop ze me al talloze keren om een lapje of een bakje of een doekje had verzocht, vroeg of ik het ziekenhuis even wilde bellen. Pas nadat Hanneke de hoorn had overgenomen drong het tot me door. Een grote emaillen schaal werd voorzichtig weggedragen: bloed.

“Hetty, bijblijven. Jan, praat tegen haar. Merel, de schaal.”

Merel legde kraamtampons klaar, maar Hanneke aarzelde.

“Ik wil eerst weten wat daar zo bloedt. Hetty, zeg als het pijn doet.”

Met haar hand tastte ze de weg die het kind gekomen was af, verder en verder, tot ze de plek gevonden had en het klateren in de schaal overging in dreigend gedrup.

Ruim een uur heeft ze die klemgreep volgehouden. De ambulancebroeders kwamen en zeiden dat als ze Hetty op de brancard drie trappen af wilden krijgen, Hanneke toch echt los moest laten. Maar ze weigerde. Een klauterende kluwen van zes mensen ondernam de afdaling: vier broeders, de kraamhulp met een infuus, de brancard met daarop gesnoerd de patiënt en Hanneke, haar vuist onwrikbaar in haar.

Het traumateam in de shockroom van het VU-ziekenhuis, de dienstdoende internist, de verplegers in de operatiekamer, allemaal probeerden ze Hanneke's hand naar buiten te krijgen, maar ze weigerde eenvoudig. “Ze is drie liter bloed kwijt, als ik loslaat zijn we een halve liter verder”, herhaalde ze maar, “dus dat doe ik pas als we in de OK zijn en de gynaecoloog kan hechten.”

Toen het transport eindelijk bij de operatiekamer aankwam probeerde een OK-zuster haar tegen te houden. “U mag hier helemaal niet in!” riep ze met een blik op Hanneke's bebloede burgertenue.

“Sorry, dat moet maar even hoor”, zei Hanneke, en duwde zich met patiënt en al naar binnen.

Ik werd door een VU-hostess met zachte drang weggeleid, zodat het vervolg zich buiten mijn gezichtsveld afspeelde, maar Hanneke's hand hield stand tot het laatst, hoorde ik later. Pas toen de chirurg met zijn fournituren in de aanslag stond, liet ze los.

Harry zat te knikken. “Een cervix-ruptuur. Je leest erover, maar ik heb het in al die jaren nog nooit meegemaakt. Met een tampon redt je zoiets niet, dan gaat dat vloeien van binnen gewoon door. Goeie kans dat die Hanneke je vrouws leven gered heeft.”

Vandaar: vroedvrouw Hanneke, mijn Vrouw van het Jaar.