Grote contrasten in overvol weekeinde met Nederlandse muziek

Concerten: Nederlandse Muziekdagen. Gehoord: 17 t/m 19/12, Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht.

De visafslag, waar de Hollandse Nieuwe in grote hoeveelheden over de toonbank gaat - daarmee vergeleek Peter Schat ooit de concerten met recente Nederlandse composities, die in schijnbaar willekeurige volgorde bij elkaar zijn gezet. De Nederlandse Muziekdagen, die het afgelopen weekend voor de vijfde keer plaatsvonden in het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg, vormen de grootste Nederlandse visafslag van het jaar. Deze keer waren het meer dan twintig componisten, die in zes concerten de revue passeerden.

Toch hebben de Nederlandse Muziekdagen inmiddels hun nut bewezen. Want hoe vaak krijg je de gelegenheid om bij voorbeeld het omvangrijke seriële orkestwerk Quaterni I uit 1979 van Jan van Vlijmen te horen? Wie durft het aan om een groot opgezette (en dus dure), moeilijk toegankelijke compositie als La disciplina dei sentimenti van Willem Boogman, voor koor, instrumentaal ensemble en elektronica, te programmeren? Hoe vaak hoor je nog het Celloconcert (1936) van Willem Pijper? En dat alles in voortreffelijke uitvoeringen?

Het enige wat de Muziekdagen nu nog nodig hebben om uit te groeien tot een echt belangwekkend evenement is een degelijke programmeur. Die zou in overleg met de co-producenten (NOS, Vredenburg, Donemus en Gaudeamus), maar met een geheel eigen verantwoordelijkheid, moeten zorgen voor muzikale samenhang tussen de programma-onderdelen.

Zo'n programmeur zou ongetwijfeld al bij het concert op vrijdagavond hebben ingegrepen. Drie verschillende ensembles speelden achtereenvolgens Boogman, Boerman en Keuris. Grotere verschillen zijn nauwelijks denkbaar. Willem Boogmans La disciplina dei sentimenti is een hecht doortimmerd stuk, waaraan de componist bijna tien jaar heeft gewerkt en dat vier jaar op deze eerste uitvoering heeft moeten wachten. De oorsprong ervan ligt in het begin van de jaren tachtig en dat is te horen: geen herkenbare melodieën, op het eerste gehoor onsamenhangende, korte pulsen van zangers en instrumentalisten die pas langzaam tot leven komen en een (elektronisch versterkte) spreekstem.

Zelf vergelijkt Boogman het werk, op een rommelige en meertalige tekst van een bevriend dichter, met een huis met vele kamers, dat zich moeilijk laat kennen. De luisteraar waart rond in een nieuwsgierig makende doolhof, ontdekt nieuwe gangen, verbindingen, stoffige hoeken en uitgangen.

Het was merkwaardig, hoe de complexe architectuur van Boogmans werk voor mij pas echt reliëf kreeg tijdens het horen van het vlakke werk Die Vögel van Jan Boerman. Flarden van Boogmans muziek leken in het hoofd na te klinken en kregen een scherpere samenhang. Boerman weet de elektronica vaardiger te benutten dan Boogman (van het beoogde rondzingen was vrijwel niets te horen), maar de saaie en monotone koorpartij doet zijn werk de das om.

Saai en monotoon zijn kwalificaties die bij voorbaat niet op Tristan Keuris van toepassing zijn. Ook zijn nieuwste compositie, Laudi, voor koor, orkest en solisten, is weer met groot vakmanschap geschreven en vooral mooi, zoals het werk van Keuris steeds mooi is. Maar het is, in al zijn monumentaliteit, ook gelikt en risicoloos. Het gedicht van D'Annunzio dat eraan ten grondslag ligt, beschrijft de ontwikkeling van het voorjaar tot 'de weemoed van het najaar'. De muziek zou naar het Adagio aan het slot moeten toewerken, waar het Mahleriaanse effect zijn hoogtepunt bereikt. Maar Keuris is er niet in geslaagd het literaire betoog ook dwingend aan de muziek op te leggen.

In stijl, klank, sfeer en kwaliteit bestond er geen enkele relatie tussen deze drie stukken. Waarom dan niet Keuris' Laudi verbinden met de twee stukken van Diepenbrock, hoorbare tijdgenoot (maar zonder epigonisme) en vriend van Mahler, die zaterdag klonken? Voor mijn part voeg je er een stukje Mahler aan toe, want wat zou erop tegen zijn om bij de Nederlandse Muziekdagen een werk te confronteren met dat van een buitenlandse collega als daar een goede aanleiding toe is? Eduard Reeser, biograaf van Diepenbrock, heeft in diens Lydische Nacht (1913) met succes de zang- en spreekstem geretoucheerd. Slechts een enkele abrupte overgang herinnert nog aan de verklarende tekst. Maar dit werk kan, als een symfonisch gedicht in de beste traditie, gemakkelijk de orkestpodia bereiken.

In het slotconcert deed Ed Spanjaard zijn best om de vijf delen samenhang te geven. Hij dirigeerde het luchtige en hink-stap-springende Toonen (1980) van Guus Janssen met dezelfde ernst als de première van het monolithische Antar van Richard Rijnvos. In dit werk heeft Rijnvos van het orkest een ding gemaakt, een amorf lichaam dat grillig beweegt zonder vooruit te komen. Het laatste stuk van de Muziekdagen, Triade (1991) van Theo Verbey, is een op Mozart geïnspireerd juweeltje: transparant, dynamisch en met veel vuur gecomponeerd.

Tussendoor klonken er ook nog twee concerten, één voor cello en orkest uit 1936 van Pijper en één voor harp en orkest van Joep Straesser (een première). Het waren machteloze stukken. Pijper laat de cellist voortploegen in een onontwarbare notenbrij, Straesser is er niet in geslaagd de harp tot een werkelijk solo-instrument te laten uitgroeien en de spanning tussen solist en orkest op te voeren. Hier konden zelfs de uitstekende solisten (cellist Heinrich Schiff en harpiste Ernestine Stoop) de muziek niet redden.