De Nieuwe Haagse School: nuchtere baksteengebouwen

Tentoonstelling: Co Brandes en de Nieuwe Haagse School. T/m 30 jan in het Haags Historisch Museum, Korte Vijverberg 7, Den Haag. Geopend: di-vr 11-17 u, za-zo 12-17 u.

Er wordt gemorreld aan de geschiedschrijving van de Nederlandse architectuur. Terwijl in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam een poging wordt ondernomen om de Nederlandse architectuurgeschiedenis van de laatste twee eeuwen te ontdoen van de eenzijdige gerichtheid op het modernisme, presenteert het Haags Historisch Museum een bijna vergeten stroming in de Nederlandse bouwkunst uit het interbellum: de Nieuwe Haagse School.

Amsterdamse School, Delftse School, Bossche School - het zijn geaccepteerde begrippen in de architectuurgeschiedenis. Maar bij de Haagse School en dan nog Nieuw ook zal menigeen de wenkbrauwen fronsen. Het begrip werd voor het eerst gebruikt in 1923 door C.J. Blaauw in het tijdschrift Wendingen in een bespreking van een tentoonstelling van Haagse architecten, maar daar is het eigenlijk bij gebleven. Toch is er genoeg reden om inderdaad te spreken van een Haagse School, zo laat de tentoonstelling Co Brandes en de Nieuwe Haagse School zien.

Wat zijn de kenmerken van de Haagse School? Het is bijna te mooi om waar te zijn, maar zoals Den Haag ligt tussen Rotterdam en Amsterdam, zo wordt Haagse School op de tentoonstelling geplaatst tussen de uitbundigheid van de Amsterdamse School en de zakelijkheid van de Rotterdamse bouwers. Net als de Amsterdamse School was de Haagse School baksteenarchitectuur, maar terwijl de Amsterdammers zich uitleefden in ronde welvingen, hadden de Hagenaars een voorkeur voor hoekige, 'kubistische' vormen, die hun gebouwen de schijn van Rotterdamse nuchterheid gaven.

Het is dan ook geen wonder dat in de eerste zaal in het Haags Historisch Museum werken van De Stijl-architect J.J.P. Oud worden getoond, naast die van Berlage en Frank Lloyd Wright, de twee andere grote inspiratiebronnen voor de Haagse School. Het is wonderlijk om te zien hoe letterlijk de Haagse School een synthese is van deze drie: de horizontale en verticale lijnen van De Stijl, de 'eerlijkheid' van Berlage en de stijlmiddelen van de vroege Frank Lloyd Wright versmelten tot een vanzelfsprekend geheel.

Vooral van de laatstgenoemde hebben de Haagse architecten veel overgenomen: de in elkaar overvloeiende ruimtes, de nadruk op horizontale geleding, de flauw hellende daken met brede overstekken en de geleidelijke overgang van de binnen- naar buitenruimte door terrasmuurtjes, pergola's en luifels zijn slechts enkele van de stijlmiddelen die de Hagenaars overnamen van het grote Amerikaanse voorbeeld.

Het grootste gedeelte van de tekeningen, foto's, maquettes en dia's zijn gewijd aan het werk van Co Brandes (1884-1955), de centrale figuur van de Haagse School. Hij was niet de theoreticus van de Haagse School - die rol werd gespeeld door Jan Wils, de architect van onder meer het Olympisch Stadion in Amsterdam - maar anders dan architecten als Jan Duiker, Jan Bijvoet, Dirk Roosenburg en Jan Buys bleef hij ook in de jaren dertig, veertig en vijftig trouw aan de nooit duidelijk geformuleerde beginselen van de Haagse School. Ruim 500 woningblokken, villa's, scholen en andere gebouwen bouwde hij in Den Haag. Voor zo'n groot aantal is het onmogelijk om elke keer iets nieuws te verzinnen en dat deed Brandes dan ook niet. Een groot deel van zijn gebouwen zijn steeds weer nieuwe variaties op de synthese van invloeden die omstreeks 1923 haar vaste vorm had gekregen. Het zijn degelijke en in sommige gevallen ook fraaie ontwerpen, maar ze tonen ook precies waarom Brandes niet zo beroemd is geworden: ze zijn in alle opzichten gematigd (en met gematigdheid wordt men niet beroemd).

Nooit springt Brandes uit de band: zoiets als de ook op de tentoonstelling aanwezige villa Wedekind met het curieuze dak, ontworpen door Dirk Roosenburg, is ondenkbaar bij hem. Na de tentoonstelling in het Haags Historisch kan niemand ontkennen dat er een Haagse School heeft bestaan, maar of Brandes een belangrijkere plaats in de architectuurgeschiedenisboeken verdient, is veel minder zeker.