De heks van BEWTH

Ik denk dat ik een jaar of vijf, zes was, toen mijn moeder me meenam naar de schouwburg aan de Turfsingel in Groningen.

Hans en Grietje. Zo'n veilig gevoel met je moeder alleen door de duisternis van de avond, of was het helemaal geen avond maar alleen halfdonker en mistig? De geur van turfrook die uit de pijpen van de schepen omhoog kringelde en zich traag met de nevel vermengde. Langs de trottoirs hopen vuil geworden sneeuw. Toen we over het Boterdiep liepen had ik moeders hand extra stijf vast gehouden, want daar stond het armoedige, verzakte huisje van de heks. Ik holde er met mijn oudere zusje een keer langs toen ze net naar buiten kwam. Ik was verstijfd van schrik en angst. Net een nachtmerrieachtige droom, waarin je je niet meer kunt bewegen. Niet meer kunt weglopen. Hard roept, terwijl je geen geluid kunt maken. Een krom vrouwtje dat me in haar armen gevangen hield. Ze stonk naar opgedroogde pies want veel wijkverzorgsters zullen er niet bij haar over de vloer zijn gekomen. Ze duwde me een nat stuk kantkoek in mijn mond. Ik proef het nog. Toen ik weg kon rennen kwam ze me nagehold. Wel erg vlug op die houten oorlogskleppertjes. Het was natuurlijk dat bejaarde mensje niet, maar mijn zusje, dat, gebruikmakend van mijn doodsangst, er nog een schepje bovenop deed door me nog even van achteren vast te pakken en door elkaar te schudden.

Hans en Grietje. Voor het eerst in de schouwburg. Glitter en pluche. De trappen op. De zachte treden met de rode lopers. Naast elkaar op het balkon. De duizend stukjes kristal die glinsterden in de reusachtige kroonluchter. En moeder die zo blij was dat ze je zo gelukkig maakte. Zo van elkaar. In de zaal was het een geweldige herrie met al die kinderen. Ik hield me rustig, als voelde ik dat ik voor het eerst getuige zou zijn van iets dat bepalend zou zijn voor de rest van mijn leven. Iets dat waar was en toch niet echt. Het voordoek was van onderen verlicht. Schaduwen in de donkerrode plooien. Ze bewogen af en toe. Aan de andere kant, aan de kant van de nooit eindigende andere wereld, bewoog iets. Straks zou het doek opgaan en zou ik ze zien. Hans en Grietje. Langzaam ging het zaallicht uit. Zo langzaam dat je het bijna niet merkte. Er gebeurde iets met je pupillen. Ze werden groter. De stemmen in de zaal verstomden. Daar lagen Hans en Grietje in hun armzalige huisje aan de rand van het donkere bos te slapen. Hun vader en moeder natuurlijk niet, want die stikten zowat van de honger en verdriet. Toen het lichter werd hoorde je vogeltjes. Het huisje verdween met moeder en al de lucht in en de vader liet al gauw zijn kinderen moederziel alleen in het bos achter.

Ineens het huisje van koek en marsepein. Hansje trok er een lekker stuk af en op hetzelfde moment ging de chocoladeur open. Rook en vuur. Een vreselijke knal. Groen licht. Daar stond de heks van het Boterdiep. Dezelfde neus. Dezelfde kin. Dezelfde reusachtige wrat op haar wang. Dezelfde lange, dunne, ijskoude vingers waarmee ze Hansje vastgreep. Ik gilde het uit. Ik duwde mijn gezicht in moeders schoot. Ik durfde niet meer te kijken.

Niet lang geleden liep ik op een avond door een uitgestorven, winderige, regenachtige stad. Ik ken er de weg niet. Windkracht 10. Als ik al aan iemand de weg kon vragen werd ik steeds verkeerd gewezen. Sommige mensen weken voor me uit, of verdwenen in de regen. In een smalle steeg ging een deur open. Een vriendelijke, jonge vrouw nodigde me uit haar naar boven te volgen. Het was half donker. De deur viel achter me dicht. Nog een trap op. Nog een. Het regende en woei daar in die open gang. We liepen over glibberige daken. De vrouw deed een luik in een dak open. Wat was er met me dat ik me zo gedwee over een bijna pikdonkere zolder liet leiden waarvan het eeuwenoude dakgebint kreunde en kraakte? Ik werd in een houten loge gezet. Mijn hoofd steunend op een zware balk die langzaam in de richting van mijn knieën bewoog. Het werd allengs lichter op die immense zolder. Groen licht. Magnesium. Daar stond ze, de heks uit mijn kindertijd. Even krom en versleten. Haar grote neus als een snavel op mij gericht. Haar handen naar me uitgestrekt. De loge waarin ik zat verkleinde zich. Die vreselijke tocht. Geen kant kon ik meer op. De heks kwam dichterbij. Heel dichtbij. Terwijl ze me kuste veranderde ze in de lieve vrouw die me mee naar boven had genomen. En ik werd niet wakker. Ik kon maar steeds niet wakker worden.