Aanslag op de podiumkunsten gaat gewoon door

Sinds de minister van WVC de legitimeringsvraag van kunstsubsidies bij de kunstenaars zelf op de stoep legde, is een levendig cultuurdebat ontbrand. Dit debat wordt naar het oordeel van kunstbestuurder Van Klink op een te abstract niveau gevoerd. Daardoor krijgen de werkelijk belangrijke ontwikkelingen in de kunstpraktijk te weinig aandacht.

Zelden is het cultuurdebat zo levendig geweest als in deze periode. De aanleiding daartoe is een toespraak van de minister voor de Raad van de Kunst, waarin ze bijna achteloos de legitimeringsvraag voor kunstsubsidies bij de kunstenaars legt. Sindsdien breekt de fine-fleur van de vaderlandse cultuurfilosofen zich het hooggeleerde hoofd over de juistheid van deze stelling (In mijn ogen heeft de minister het gelijk aan haar zijde als zij bedoelt dat kunstenaars de dure plicht hebben de samenleving er telkens weer van te overtuigen dat kunstsubsidies terecht zijn vanwege de belangrijke waarde die daarmee aan de samenleving wordt toegevoegd).

De discussie beweegt zich inmiddels op een zodanig hoog en abstract niveau dat de aandacht van de reële ontwikkelingen in de kunstpraktijk wordt afgeleid. Die ontwikkelingen zijn buitengewoon interessant: het podiumkunstenbestel schudt op zijn grondvesten en de verantwoordelijke politici lijken de andere kant uit te kijken.

Zo is het blijkbaar een te verwaarlozen detail dat Opera Forum, de nationale reisopera (!), dit seizoen geen voorstelling op de planken brengt. De Nederlandse operacultuur buiten Amsterdam is daarmee zowel in actieve als passieve zin tot incidenten teruggebracht. In de tussentijd proberen wanhopige schouwburgdirecteuren de gaten in hun programmering te dichten met riskante Oosteuropese import terwijl de rijkssubsidie besteed wordt aan salarisbetalingen van de werkeloze Forummedewerkers. Een fraai staaltje kunstenaarsbeleid! De verantwoordelijke politici zitten in de Tweede Kamer en zullen zich ongetwijfeld op een onbewaakt ogenblik realiseren dat dit ook weer niet hun bedoeling was toen ze besloten aan de regionale lobby gehoor te geven, waardoor twee symfonieorkesten in één regio hun bestaan weer even gerekt hebben en de nationale reisopera beneden een werkbaar financieel minimum geduwd is.

Terwijl deze onverkwikkelijke affaire voortduurt, tekent zich een nieuwe ontwikkeling af in het podiumkunstenbestel die, hoewel heel anders geaard, wel eens dezelfde effecten zou kunnen hebben. Vrijwel tegelijkertijd kondigen twee van de drie grote gesubsidieerde toneelgezelschappen van dit land aan dat ze zich belemmerd voelen in hun artistieke ontwikkeling door het spelen in een 'klassieke' schouwburg.

Teneinde hieraan te ontsnappen, hebben Toneelgroep Amsterdam en het RO-theater zich een eigen ruimte verworven, waarin ze hun eigen theatrale omgeving kunnen creëren. In één klap is hiermee Erik Vos tot de trendsettende toneelleider van dit fin de siècle gebombardeerd. (Een uitspraak overigens die vele toneelliefhebbers inhoudelijk van harte zullen onderschrijven). Toneelgroep De Appel heeft immers al bijna twintig jaar een eigen theater in Scheveningen waar met een ijzeren regelmaat grote successen worden geboekt.

Dus: de grote gesubsidieerde gezelschappen willen zich terugtrekken in hun zo begeerde 'zwarte doos' - zou het overigens toeval zijn dat de toneelmakers zo'n onheilspellende benaming voor hun favoriete werkruimte hebben gekozen? - waardoor hun toch al niet grote ambitie om voorstellingen buiten hun standplaats te spelen tot een absoluut nulpunt teruggebracht zal worden.

Toneelgroep Amsterdam die dit seizoen nog met zo'n vijf produkties de vaderlandse podia bespeelt, heeft voor het volgend jaar slechts één produktie aangeboden aan de schouwburgen. Het gezelschap vraagt daarbij om begrip vanwege de vele overgangsperikelen en belooft in een later stadium weer een ruimer aanbod aan de rest van het land te doen. Persoonlijk heb ik daar weinig vertrouwen in, omdat hier niet sprake is van een incident. Veeleer lijkt een tendens van de afgelopen jaren hierin zijn voltooiing te krijgen. Die tendens werd ingezet in 1985 met de herverdeling van de bestuurlijke taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de podiumkunsten.

Bestond er voor die tijd nog een gezamenlijke verantwoordelijkheid van rijk, provincies en gemeenten voor de produktie die zich vertaalde in een directe subsidiëring van gezelschappen maar ook indirect via reële uitkoopsommen van voorstellingen van die gezelschappen; sinds 1985 is buiten de drie grote steden in de Randstad alleen het rijk nog verantwoordelijk daarvoor. Om die verantwoordelijkheid ook financieel waar te kunnen maken zijn alle gelden die bij provincie en gemeenten daarvoor gereserveerd waren naar de rijksbegroting overgeheveld. Vanaf dat moment zien we een gestaag verminderende bereidheid bij de grote gezelschappen om hun voorstellingen in den lande te presenteren.

De Nederlandse Opera kondigde al in 1986 aan niet meer het land in te willen en heeft dat voornemen consequent uitgevoerd, met uitzondering van een Midsummernight's Dream die vorig jaar een beperkt aantal schouwburgen in het land aandeed. Door het eerder gemelde Forumfiasco is het land binnen tien jaar geheel beroofd van een opera-aanbod, terwijl het rijk in die periode per saldo meer geld in de twee operagezelschappen heeft gepompt. In het ene geval wordt dat geld gebruikt om riant en comfortabel het Muziektheater te bespelen, in het andere geval worden er slechts salarisbetalingen van gedaan.

Bij de dans ziet het er al niet veel gunstiger uit. Het Nederlands Dans Theater heeft in een vroeg stadium het voorbeeld van de Nederlandse Opera gevolgd en haar vlaggeschip, NDTI, niet meer binnen de landsgrenzen laten reizen. Pas nadat de minister ƒ 500.000,- extra beschikbaar heeft gesteld, wordt er weer mondjesmaat op de Nederlandse podia gedanst. Het Nationaal Ballet pakt het weer anders aan. Zij volgen de beproefde salamitactiek door telkens kleine stukjes aanbod in den lande weg te snijden. En dan kondigt zich nu in deze ontwikkeling de toneelsector aan waar de grote gezelschappen zich terug wensen te trekken in hun zelf aangelegde zwarte dozen.

De volgende conclusie dringt zich op: de centralisatiebeweging van 1985 is voor het Nederland buiten de drie grote steden op het gebied van de podiumkunsten een grote verdwijntruc gebleken. Zowel het geld als de voorzieningen zijn verdwenen. Binnen tien jaar is het Nederlandse podiumkunstenbestel opeens geordend naar Frans model met een hoge concentratie van grote, hoogwaardige instituten in de hoofdstad, een bescheidener rol voor Rotterdam en Den Haag en kaalslag in de rest van het land. Voordat minister d'Ancona zich vergenoegd in de handen wrijft dat ze toch maar mooi in de voetsporen van de illustere Jack Lang is getreden, moet ik erop wijzen dat de door velen als ideale cultuurminister afgeschilderde Lang juist geprobeerd heeft deze situatie te doorbreken met forse financiële injecties in de steden buiten Parijs.

Uiteraard is dat ook mijn belangrijkste advies aan minister d'Ancona of haar eventuele opvolger. Maar ondanks hoopvolle signalen vanuit de VVD en D66 om veertig miljoen extra aan kunst te besteden in de volgende kabinetsperiode, ga ik daar voorshands nog niet vanuit. Daarom twee adviezen die geen extra financieel beslag met zich meebrengen.

Allereerst moet de heilloze systematiek die sinds '85 geldt, worden teruggedraaid, niet door de versnippering van vóór '85 weer in te voeren maar door de positieve ervaringen van de convenanten met de drie grote steden door te trekken. De minister van cultuur zou er goed aan doen in de volgende kabinetsperiode bestuursovereenkomsten te sluiten met een achttal steden buiten de Randstad, die een eigen, hoogwaardige, culturele infrastructuur hebben.

Een tweede advies betreft de gezelschappen die een terugtrekkende beweging vertonen. Uiteraard is er niets op tegen dat kunstenaars ervoor kiezen om in belang van hun eigen artistieke ontwikkeling niet meer in grote schouwburgzalen te spelen.

Kwalijk wordt het als zij er voetstoots van uit gaan dat zij hun oorspronkelijke budgetten, juist bedoeld om die grote schouwburgzalen te bespelen en te vullen met publiek, onverkort kunnen meenemen naar hun kleinere eigen doos. Zoals De Appel al vele jaren glorieus functioneert in haar eigen theater met minder dan de helft van het subsidie van Toneelgroep Amsterdam, zo lijkt het reëel en rechtvaardig dat Toneelgroep Amsterdam en het RO-theater teruggaan in subsidieniveau naar het peil van De Appel.

De vrijkomende budgetten zouden dan besteed kunnen worden aan de oprichting van een nieuw gezelschap dat tot taak krijgt om de Nederlandse schouwburgen te voorzien van hoogwaardige, toegankelijke stukken.