Waldheims zwarte verleden

Eli M. Rosenbaum with William Hoffer: Betrayal. The Untold Story of the Kurt Waldheim Investigation and Cover-Up 538 blz., geïll., St. Martin's Press, ƒ 58,90

Was Kurt Waldheim, de president van Oostenrijk van 1986-1992, een oorlogsmisdadiger of was hij in de nazitijd alleen maar een opportunistische meeloper die later aan ernstig geheugenverlies over zijn oorlogservaringen ging lijden? Op die vraag heeft de Oostenrijkse en internationale discussie zich sinds maart 1986, toen de eerste belastende feiten over Waldheims verleden bekend werden, toegespitst. In Oostenrijk hing en hangt een grote meerderheid van het volk de mening aan dat hun land en president in het buitenland en dan vooral door joodse organisaties en een door joden gedomineerde Amerikaanse pers schandelijk zijn beklad. Ook heerst er de mening dat Waldheim in de nazitijd als eerste luitenant in het Duitse leger gewoon zijn dienst heeft gedaan zoals iedere gezonde Oostenrijker destijds gedwongen werd die te doen.

Gesust door Waldheim zelf, die steeds weer zei dat hem niets verweten kon worden en dat alle 'onthullingen' over zijn verleden gelogen waren en uit 'een en dezelfde onverzoenlijke hoek' kwamen, en misleid door de Oostenrijkse pers, die op enkele uitzonderingen na (het weekblad Profil en de Salzburger Nachrichten) Waldheims ontkenningen als waarheid en de beschuldigingen tegen hem als 'beledigingen aan het adres van Oostenrijk' rapporteerden, hebben de meeste Oostenrijkers deze mening tot op de dag van vandaag weten te handhaven. Wel is het deze en gene opgevallen dat Waldheims presidentschap de betrekkingen tussen Oostenrijk en de wereld geen goed deed. Toen Waldheim in 1992 onder druk van zijn eigen Österreichische Volkspartei besloot niet opnieuw te kandideren voor het ambt van staatshoofd ging er dan ook een zucht van verlichting door de straten van Wenen en enige andere steden.

Het officiële deel van het Waldheim-drama werd indertijd afgesloten door de aanbieding op 7 februari 1988 aan de Oostenrijkse regering van een rapport over Waldheims oorlogsverleden, opgesteld door een commissie van onafhankelijke internationale historici onder leiding van de Zwitser Hans Rudolf Kurz. Waldheim zelf had de instelling van een dergelijke commissie geopperd. Al op 8 februari, een dag voordat het rapport aan de pers werd vrijgegeven, wist de Oostenrijkse pers met grote koppen te melden dat het rapport aantoonde dat Waldheim geen oorlogsmisdadiger was geweest en dat alle feiten Waldheim ontlastten.

De historici waren razend, want dat was bepaald niet het resultaat van hun onderzoekingen. Dit was eerder te vinden in hun conclusie dat Waldheim dicht in de buurt van criminele maatregelen en bevelen dienst had gedaan en daarvan zeer goed op de hoogte moest zijn geweest. En bovendien dat hij nooit iets tegen dit onrecht had gedaan, nooit zoals van anderen bekend is, had geprotesteerd of had gepoogd het onrecht te voorkomen en integendeel herhaaldelijk zijn medewerking had verleend in verband met illegale acties en daarmee hun uitvoering had bevorderd.

Gedraai

Deze conclusie drong nimmer door tot het grote Oostenrijkse publiek en dat zal ook wel zo blijven. Hoewel aan de commissie van historici was toegezegd dat hun rapport in Oostenrijk zou worden gepubliceerd is dit tot op de dag van vandaag niet gebeurd. Het verschijnt nu eindelijk in Helsinki in het Engels. Ondanks de belofte van de toenmalige regering, die ook al geleid werd door bondskanselier Vranitzky, komt het rapport in Oostenrijk niet uit. Zelfs de vertaalkosten heeft de Oostenrijkse regering geweigerd te betalen. Het Duitse lid van de commissie, Manfred Messerschmidt, zei kort geleden tegen het weekblad Profil : 'De Oostenrijkse regering heeft met succes de publikatie verhinderd.' Als het rapport Waldheim werkelijk zou ontlasten zou het onbegrijpelijk zijn!

In april 1986, toen de zaak-Waldheim net speelde, zei Waldheim in een interview met het hem welgezinde blad Die Presse dat hij alleen werd aangevallen door een 'privé-instituut, het Jewish World Congress, de heer Singer, de heer Steinberg en de heer Rosenbaum'. Eli M. Rosenbaum, nu onderdirecteur van de afdeling van het Amerikaanse ministerie van justitie die zich bezighoudt met het alsnog opsporen en vervolgen van nazi-misdadigers, was inderdaad een van de belangrijkste speurders naar Waldheims verleden. In zijn boek Betrayal, the Untold Story of the Kurt Waldheim Investigation and Cover-Up doet hij verslag van zijn belevenissen. Hij probeert antwoorden te vinden op twee klemmende vragen: hoe lukte het Waldheim een spectaculaire carrière te maken als Oostenrijks minister van buitenlandse zaken en daarna als secretaris-generaal der Verenigde Naties, terwijl zijn naam sinds 1948 voorkwam op het centrale register van mogelijke oorlogsmisdadigers van de geallieerden en op de lijst van gezochte personen van de United Nations War Crimes Commission? In beide gevallen daarop geplaatst op verzoek van Joegoslavië. En daarnaast: waarom hield de jager op nazi-misdadigers Simon Wiesenthal van begin 1986 af aan Waldheim de hand boven het hoofd en probeerde hij zelfs het onderzoek naar Waldheims oorlogsverleden te frustreren?

Rosenbaums boek kwam tot stand in samenwerking met William Hoffer, een ghost-writer, die ook het Turkse drug-drama Midnight Express opschreef. Hoffers pen draagt aan het grondig gedocumenteerde verhaal een handige verteltrant en een opgewonden toon bij, die als onweerstaanbaar recept voor de Amerikaanse bestsellermarkt gelden. De complexe geschiedenis van het stukje bij beetje onthullen van Waldheims verleden in de nazi-jaren is verbluffend.

Natuurlijk is sinds jaar en dag bekend dat Waldheim over zijn oorlogsverleden heeft gedraaid en gelogen. Maar wie in het korte bestek van één boek met zijn schaamteloze serie ontwijkingen en vierkante onwaarheden wordt geconfronteerd kan niet anders dan opnieuw verbijsterd zijn. Waldheim had steeds beweerd nooit lid te zijn geweest van een nazi-organisatie. Zijn lidmaatschap van twee van dergelijke organisaties staat nu vast. Zijn vrouw gaf overigens toe lid van de NSDAP te zijn geweest, maar zij hield op verzoek van Waldheim lange tijd vol uit de partij te zijn getreden; intussen is gebleken dat dit niet waar was. In zijn officiële biografie, maar nog explicieter in een samen met Eric Rouleau van Le Monde gemaakt boek, zei Waldheim na zijn verwonding aan het oostfront vanaf 1942 rechten te hebben gestudeerd in Wenen. Bewezen is nu dat hij van 1942 tot 1945 grotendeels in Joegoslavië en Griekenland diende als tweede, later eerste luitenant bij legeronderdelen. En dat die bijna zonder uitzondering betrokken zijn geweest bij het uitmoorden van burgerbevolking als onderdeel van de strijd tegen partisanen, bij deportaties en bij andere misdadige activiteiten. Generaal Loehr, lange tijd Waldheims hoogste baas, werd na de oorlog in Joegoslavië als oorlogsmisdadiger terechtgesteld.

Carrière

Nadat Waldheim had moeten toegeven in de bewuste jaren in de Wehrmacht te hebben gediend hield hij vol daar alleen maar als tolk te hebben gewerkt en niets geweten te hebben van het vermoorden van burgers, het platbranden van dorpen, het deporteren van Italiaanse soldaten als dwangarbeiders naar Duitsland en van joden uit Saloniki (een kwart van de bevolking). In sommige gevallen beweerde hij niet in de buurt geweest te zijn van beruchte misdadige acties.

Uiteindelijk bleef van al deze uitvluchten niet veel over. Het staat nu vast dat Waldheim meer dan eens aanwezig was op plaatsen waar de Duitsers terreur uitoefenden en dat hij rapporten parafeerde en soms schreef waarin sprake was van onwettige acties. In een enkel geval kon worden aangetoond dat hij bevelen doorgaf die in het proces in Neurenberg als misdadig werden gekwalificeerd en dat hij verantwoordelijk was voor transportzaken in een situatie waarin massale deportaties plaatsvonden naar een berucht concentratiekamp in Kroatië. Het kan dan ook niemand verbazen dat zijn naam voorkomt op bovengenoemde twee lijsten van gezochte potentiële oorlogsmisdadigers. Noch dat de Amerikaanse regering, na bestudering van het historisch materiaal, Waldheim, die toen al geïnstalleerd was als president van Oostenrijk, op de zogenaamde Watch List plaatste. Dat is een register van buitenlanders die op grond van hun oorlogsverleden niet worden toegelaten tot de Verenigde Staten. Waldheims staat nog steeds op deze lijst.

Meer verbazingwekkend is dat Waldheim door zijn oorlogsverleden niet belemmerd werd in het maken van een grote carrière. De Joegoslaven waren na de oorlog naar hem op zoek en wisten dus van dit oorlogsverleden. Omdat zij Waldheims naam al opbrachten om geplaatst te worden op de internationale opsporingslijsten voordat Tito met Stalin had gebroken, moeten de Russen er ook van hebben geweten. Waarom maakte Belgrado noch Moskou hier kabaal over toen Waldheims ster begon te rijzen? Ja, sterker nog, hoe is het mogelijk dat Tito Waldheim geregeld uitnodigde en nauwe relaties met de door hem gezochte potentiële oorlogsmisdadiger onderhield? En dat de Russen Waldheims verkiezing tot secretaris-generaal van de Verenigde Naties doordrukten door hun veto uit te spreken tegen twee door het Westen geprefereerde kandidaten. En hoe kan het dat de Russen veel later, in 1986-1988, in de tijd van perestrojka en glasnost, elk woord over de rel rondom Waldheims oorlogsverleden uit de Sovjet-pers weerden en Waldheim ook in ander opzicht de hand boven het hoofd hielden?

Rosenbaum houdt het er op dat het opzet was en dat de Sovjets en Tito Waldheim hadden laten merken dat zij van zijn verleden wisten zodat hij hen maar beter ter wille kon zijn. Het zou verklaren waarom Waldheim tijdens zijn secretaris-generaalschap in New York een onevenredig groot aantal Russen in zijn internationale bureaucratie opnam en de Amerikaanse protesten daartegen naast zich neerlegde. In dit verband citeert Rosenbaum in een voetnoot een brief van Reagans minister van buitenlandse zaken George Shultz, waarin deze schrijft een soortgelijke verdenking te hebben gekoesterd.

Wiesenthal

Met aanzienlijk meer emotie gaat Rosenbaum zijn tweede vraag te lijf: waarom Simon Wiesenthal van het begin af aan de onderzoekers naar Waldheims verleden voor de voeten heeft gelopen. Dit ging veel verder dan het afleggen van verklaringen dat volgens hem nog steeds niet bewezen was dat Waldheim zich aan oorlogsmisdaden had schuldig gemaakt. Wiesenthal zei al in het voorjaar van 1986 dat er in Waldheims verleden geen skeletten in de kast zaten. Hij kritiseerde meer dan eens op ongezouten wijze het World Jewish Congress en beschuldigde het er van het anti-semitisme in Oostenrijk aan te wakkeren. Een vreemde beschuldiging die gebaseerd lijkt op de gedachte dat joden, als zij zich niet keurig gedragen, verantwoordelijk zijn voor opkomend antisemitisme.

Rosenbaums boek besluit met een frontale aanval op Wiesenthal die niet zomaar kan worden afgedaan als de zoveelste interne ruzie binnen de internationale joodse gemeenschap. Aan de hand van citaten en documenten bouwt hij in elk geval een geloofwaardige argumentatie op dat Wiesenthal meer een 'Nazi hunter' dan een 'Nazi finder' is geweest.

Het valt dan ook te begrijpen dat Wiesenthal, die op 31 december 85 jaar oud wordt en een paar weken geleden het Oostenrijkse erekruis voor wetenschap en kunst als eerste Oostenrijkse onderscheiding aan een lange rij van eerbewijzen kon toevoegen, zeer ongelukkig was met de publikatie van Betrayal. Zijn houding in de Waldheim-affaire maakte hij niet geloofwaardiger door in een interview met de New York Times te zeggen dat Rosenbaums vijandige boek alleen maar was ingegeven door woede over Wiesenthals stelling dat het bewijsmateriaal tegen Waldheim niet afdoende was. Wiesenthal deed van alles om het onderzoek de kop in te drukken. Hij gaf constant interviews, telefoneerde zelfs met Washington en met Amerikaanse kranten om te waarschuwen tegen verder onderzoek naar Waldheims verleden. Hij bleef maar volhouden dat het vlekkeloos was geweest en dat het zich uitsluitend had afgespeeld in de Wehrmacht, die niet betrokken zou zijn geweest bij misdaden in Joegoslavië. Dat dit niet waar was moet ook Wiesenthal al decennia lang hebben geweten.

Deed Wiesenthal dit allemaal, zoals Rosenbaum betoogt, omdat hij op verzoek van het onderzoekscentrum Yad Vashem in Jeruzalem al in 1979 naar het verleden van Waldheim een kort onderzoek had ingesteld? En omdat hij toen al achter diens Wehrmacht-activiteiten tussen 1942 en 1945 was gekomen, maar een blunder had gemaakt door niet te beseffen dat Waldheim deze episode in al zijn biografische uitingen consequent had verzwegen, zodat aangenomen moest worden dat hij daar iets te verbergen had ? Probeerde Wiesenthal later het hele Waldheimonderzoek in diskrediet te brengen en ging hij daarbij zo ver dat hij in feite belangrijke verkiezingshulp aan de Oostenrijkse Volkspartij verleende bij de campagne voor Waldheims presidentschap alleen maar om zelf niet als blunderaar te worden ontmaskerd? Met deze conclusie besluit Rosenbaum zijn Wiesenthal-aanval en zijn boek. Het is eigenlijk de minst overtuigende passage in een meeslepende geschiedenis, waarin de slechte eigenschappen van de soort mens volop aan bod komen.