Waar zijn de loketten?

Voor het eerst heb ik met eigen ogen de carpoolstrook gezien. Wel veel over gehoord natuurlijk, maar zoals wel meer gebeurt bij de aanblik van een veelbesproken iets of iemand: de werkelijkheid op je netvlies is een revolutie. Zo had ik me de carpoolstrook (De spelling hindert me. Het is te hybridisch, maar kaarpoelstrook ziet er niet goed uit, doet denken aan de textielindustrie) voorgesteld als een heirbaan waarover bumper aan bumper, onafgebroken, met mensen volgepakte auto's raasden.

Het was een uur of twee 's middags. We kwamen in de buurt van Muiden en daar zag ik links van de weg een roodwitte slagboom zoals je ze aan de landsgrenzen had vóór de Europse eenwording. 'Wat is dat?'' vroeg ik degene die achter het stuur zat. Hij keek verbaasd. 'Dat is de carpoolstrook.''

Omdat de faciliteit door een eindeloze betonmuur van zeker een halve meter hoog werd beschermd, was er in het begin niet veel van te zien, maar later, als de weg bij de brug over de Vecht wat omhoog gaat, ontstaat er een beter perspectief. Het is een geasfalteerde sleuf tussen twee lage betonmuren die buiten de spitsuren aan weerszijden is afgesloten. Dan is de carpoolstrook natuurgebied, een veilige landingsplaats voor vogels die op weg zijn van het IJsselmeer naar het Naardermeer. Een tijdelijk waste land, min of meer van het soort dat je ook ziet onder viaducten van verkeersknooppunten. Dit laatste is een waste land van vuil zand en afval waar de zon nooit schijnt, geen plant zal groeien en geen kind wil spelen. Het is een gebied dat de illusie van ongebonden vrijheid wekt - geen wetten, geen moraal - maar er heersen zulke barre omstandigheden dat geen mens er gebruik van zal maken. Op een andere manier is het met de carpoolstrook ook zo gesteld: twee maal per dag wordt hier al het niet gemotoriseerde leven op het plaveisel geplet. Dat wordt gedaan door de forenzen die daarmee twintig minuten eerder uit en thuis zijn.

De man achter het stuur genoot van mijn verbazing. Nu was het zijn beurt. De hele week al waren we kriskras door het land gereden; de dag tevoren naar Den Haag, met de trein omdat het slecht weer was. We hadden afgesproken in de hal van het Amsterdamse Centraal Station, onder het grote bord met de vertrektijden. Hij was te laat, had de stiptheid van het Gemeente Vervoer Bedrijf overschat, en vroeg nu gejaagd: 'Waar zijn de loketten?''

Op allerlei manieren is het volk in tweeën gedeeld. Zij die naar de televisie kijken en erover schrijven en zij die dat niet doen; zij die kroketten en patat eten en zij die dat weigeren; zij die in de auto zitten en zij die dat vermijden; enzovoort. Gesprekken worden onmogelijk omdat de partijen niet meer van elkaar weten waar ze het over hebben.

In Den Haag moesten we ergens in het niemandsland met Kijkduin zijn. We namen een taxi. Boven de stad hing een lage grauwe lucht waaruit van tijd tot tijd natte sneeuw viel, onze weg voerde door lage straten, over pleinen vol vuile plassen, we reden door het zwarte gat van de troosteloosheid, het was het begin van Poe's The Fall of the House of Usher, geürbaniseerd. Vele uren later zaten we weer in de trein waar ik in een gezonde slaap viel. En nu: rijdend langs de kale carpoolstrook op weg naar het midden van het land, Soest, De Bilt, Zeist, Baarn, dat is de buurt die ik bedoel.

Een rood-witte slagboom markeerde het einde van de strook. We passeerden de plek waar Floris de Vijfde door de edelen is vermoord - de kromming in de weg waar die het dichtst bij het IJsselmeer komt - en kwamen van lieverlee in het gebied van onze bestemming. Nergens ter wereld blijft de tijd stilstaan maar soms veroorlooft hij zich een oponthoud, hij verschanst zich in het landschap, klampt zich hier nog vast aan de bomen en de huizen terwijl hij een paar kilometer verderop alweer, door razernij bezeten, alles met de grond gelijk maakt om er nieuwe bewijzen van zijn voortgang achter te laten.

In deze buurt heerst nog het oponthoud. Langs de snelweg en later de provinciale weg is het land verdeeld in flinke percelen waarop aan het begin van de eeuw zeer rijke mensen hun landhuizen hebben laten bouwen; grote, meest witgeschilderde, donkerbruin geornamenteerde kasten die op z'n minst tot het einde van de eeuw de kinderen en kleinkinderen moesten huisvesten. Kasten: ik bedoel het niet minachtend. Ze zijn in de eerste plaats groot zoals alleen een kast groot kan zijn. Je hebt andere manieren van groot zijn: als een olifant, een zeppelin, een kathedraal. Deze huizen zijn groot als een kast.

'Zouden er nog mensen in wonen, of zijn het tegenwoordig allemaal kantoren?'' vroeg mijn metgezel.

'In de meeste zitten stichtingen'', zei ik, zonder er overigens een spoor van bewijs voor te hebben. Maar het klonk zo overtuigend dat hij niet verder vroeg.

Zoekend naar ons reisdoel sloeg hij een verkeerde weg in zodat ik nog meer kasten zag. Ik begon me het inwendige voor te stellen: de enorme kamers, de koude serre, de logeerkamers met kolenhaarden, keuken en bijkeuken, en dat allemaal bewoond door niet zoveel mensen. Wat deden die daar de hele dag? Het zomerse leven kon ik me nog wel voorstellen: de tuin, controleren wat Teun de tuinman, Dien de werkster en Kees de duvelstoejager uitspookten, en na zonsondergang nog een rustig mompelen over het voorval van de dag, de Russisch-Japanse oorlog en de spoorwegstaking. Maar 's winters? De Klop op de deur moest nog geschreven worden. De aanblik van de kasten openbaarde me plotseling het raadsel van een lang geleden verdwenen dagelijks leven dat toen zo normaal was als nu het rijden over de carpoolstrook. Ik keek in een projector voor stereoscopische foto's, alsof de mensen van toen meteen tevoorschijn zouden komen. Maar het enige wat je ziet zijn natuurlijk je 'medeweggebruikers'.

Deze tijd heeft één verworvenheid waardoor hij zich van alle andere onderscheidt: de videocamera. Laat u zich er niet van weerhouden die zoveel mogelijk te gebruiken opdat het nageslacht in 2093 niet voor de raadsels zal staan die wij vergeefs betasten.