Tipsnelheid: 245 kilometer per uur

Het zat de advertentieafdeling van de Triodos Bank in Zeist vorige week bepaald niet tegen.

Terwijl een najaarsstorm met windkracht 10 over ons land raasde, en bij mij de ramen zowat uit de sponningen drukte, las ik in het ochtendblad de volgende advertentie: De techniek is er, de noodzaak is er, de kans is er. Beleggen in windenergie. Het Windfonds. Een initiatief van de Triodos Bank. Dat de f in windfonds door de grafisch ontwerper met een knipoog naar de op winst beluste lezer was vervangen door een ƒ -tekentje viel me nog niet zo direct op. Wat wel opviel was een lijst van 'eerste investeerders die achter het fonds staan': De Body Shop, BSO/Orgin, Esprit, Van Melle en de Vereniging Milieudefensie. Echt weer om met een ingevulde coupon naar de brievenbus te lopen, is het niet, maar gelukkig is de prospectus ook per telefoon aan te vragen: 06-0222027.

Reeds de volgende ochtend ligt het 48 pagina's dikke boekwerk onderaan de trap. In grote lijnen is de doelstelling van het Windfonds me wel duidelijk: het bevorderen van windenergie. “Schone stroom uit het stopcontact”, in de woorden van Bram van der Lek, voorzitter van Milieudefensie, voor wie in de prospectus een pagina is ingeruimd. Ook de managers van de andere bedrijven en instellingen die als 'eerste investeerders' geld in het Windfonds hebben gestopt, komen aan het woord. Zo hoopt snoepfabrikant Van Melle “dat dit initiatief mede zal bewijzen dat het technisch en financieel mogelijk is om uiteindelijk op duurzame wijze met onze planeet om te gaan.” En de directrice van het Noorder Dierenpark in Emmen gaat de mogelijkheid onderzoeken voor haar medewerkers een spaarloonregeling te creëren met aandelen in het Windfonds.

Nu ben ik persoonlijk dol op Mentos, en aan het Noorder Dierenpark bewaar ik de beste herinneringen, maar is dit voldoende reden om mij aan te sluiten bij het Windfonds?

Bij het lezen van de Statuten (“Indien in een vergadering, in welke krachtens het vorige lid de aanwezigheid van een quorum vereist is, dit quorum niet vertegenwoordigd is, wordt een tweede vergadering bijeengeroepen.” Art. 19 punt 2) begint mij de angst te bekruipen dat ik misschien wel te dom ben voor het Windfonds. Maar om het beleggersbijltje er meteen bij neer te gooien is mijn eer ook weer te na.

Gelukkig is Thomas Steiner, die bij de Triodos Bank de public relations behartigt, bereid het me allemaal in gewone mensentaal uit te leggen. En ten behoeve van de thuisfrontlezers mag ik zelfs een bezoekje brengen aan het windmolenpark bij Lelystad: “Dat u het niet meteen begrijpt is niet zo gek, want dit is een volstrekt nieuw iets. Ook het noemen van investerende bedrijven in een advertentie is ongebruikelijk. Maar, we mikken wel degelijk ook op kleine beleggers. Je kunt al voor 100 gulden meedoen.”

En zo reed ik dinsdagmiddag met Steiner en ir. Lex Arkesteijn van Ingenieursbureau Energy Connection, door de IJsselmeerpolders. Stralend weer, maar geen zuchtje wind. Een slechte dag voor het Windfonds, veronderstel ik pesterig. “Ja, een slechte dag voor het Windfonds”, zegt ir. Arkesteijn, “hoewel, ik had net nog contact met onze beheerder in Zeeland en daar is het windkracht 7, dus daar draaien onze molens volop. En voor vanavond is er storm voorspeld. Maar dat is ook weer niet zo gunstig, want vanaf windkracht 9 zetten we de molens stil om ze niet dol te laten draaien. Er zitten weliswaar twee automatische remmen op elke molen, maar dat probeer je voor te zijn vanwege de slijtage. Vergelijk het maar met de noodstop van een auto: dat probeer je ook te voorkomen door tijdig gas terug te nemen.” Tijdens de rit wordt mij uitgelegd waarom er niet meer windmolens in de polder staan: “Men wil dit landschap graag zo plat houden als het nu is. Over het algemeen vinden de mensen het lelijke dingen. Maar kijk, daar langs die weg, waar toch al een hoogspanningskabel loopt, zou je natuurlijk gerust wat molentjes neer kunnen zetten. Het wordt een tweede natuur om naar locaties te speuren. De gunstigste plek is vlak aan het water, dat heeft te maken met het windprofiel. Over land neemt de wind in kracht af, althans op 60 meter hoogte, de lengte van onze molens.”

Bij het bordje Flevocentrale slaan we rechtsaf, en we rijden langs een rij windmolens die door Energy Connection zijn neergezet in opdracht van de BGEM, het Gelders elektriciteitsbedrijf, en voor een deel gefinancierd door de Triodos Bank. De molens zijn genummerd van V1 tot V25: “We nummeren de molens omdat je anders steeds moet tellen als er een storing is. Die letter V hebben we genomen omdat hier achter een viskwekerij zat. Dat rijtje molens in de verte heeft allemaal de letter U, van de Urkerhoek, zo heet dat water daar.” In de schaduw van de reusachtige op aardgas gestookte Flevocentrale bevindt zich de houten keet van windparkbeheerder Henk Adama. Op een informatiepaneel wordt elektronisch bijgehouden hoeveel elektriciteit het windpark produceert, en wat de besparing aan aardgas is geweest: ruim 6 miljoen kubieke meter sinds de start in 1991.

Adama heeft een opleiding gevolgd tot scheepswerktuigbouwkundige, een beroep waar niet veel brood meer in zit. Het beheren van een windpark beschouwt hij als een nuttig alternatief: “Ik heb die interesse in windenergie van huis uit meegekregen, mijn vader in Friesland heeft ook twee molens op zijn land staan. Bovendien zit ik hier mooi aan het water.”

In de beheerderskeet leer ik verder dat de cilinder, die de turbines en het remsysteem huisvest, een 'gondel' wordt genoemd, en dat een windstille dag ideaal is voor onderhoud. De molens leveren 60 procent van het jaar stroom, “variërend van bijna niets tot het maximum, 300 kilowatt.” De 'tipsnelheid', gemeten aan het uiteinde van de wieken, is altijd 245 km per uur, hoe hard het ook waait. Toch levert dat bij windkracht 7 meer stroom op dan bij windkracht 5. “Hoe dat komt, tja, hoe moet ik dat nu uitleggen. Vergelijk het met jezelf op de fiets. Je kunt altijd wel een snelheid halen van 20 kilomter per uur. Maar met wind in de rug kost je dat minder moeite dan met wind tegen.”

Als Adama vertrokken is om een aantal onderhoudsmonteurs te assisteren, breng ik het gesprek terug op het Windfonds. “Wat we eigelijk willen is dat mensen hun eigen stroomverbruik als uitgangspunt nemen. Een huishouden met een verbruik van 2000 kilowattuur zou twintig aandelen moeten kopen om ervan verzekerd te zijn dat zijn elektriciteit uit een schone bron komt”, zegt Thomas Steiner. “Je kunt je eigen verbruik opvragen bij het GEB. Het staat trouwens ook op de jaarafrekening. Met deze aandelenemissie hopen we ongeveer 15 miljoen uit de markt te halen. Dat is niet zo veel, maar met kleine financiële injecties kun je andere investeerders, zoals elektriciteitsbedrijven, over de streep trekken. Voor het Windfonds rekenen we op een gemiddeld rendement van zeven procent over vijftien jaar. Je moet het zien als een groeifonds met een ideële grondslag. We hebben een soortgelijk fonds opgericht voor biologische landbouwgrond. Het is iets voor mensen die bezorgd zijn om het milieu, en toch een redelijk rendement hopen te halen uit een 'groene' investering.”

Mijn elektraverbruik blijkt 704 kWh per jaar te zijn. Maar wat moet ik met zeven aandelen Windfonds? Of heb ik daar nu juist een petekind voor? Dan hoor ik in 2008 wel of het fonds genoeg gegroeid is om een bescheiden zeilbootje te kopen.