Tegenslag teistert voormalig Rijksinkoopbureau

ZWOLLE, 18 DEC. Het Nederlands Inkoopcentrum (NIC), het voormalig Rijksinkoopbureau, beleeft zorgelijke tijden. De directie van het NIC, waar 375 mensen werken, is momenteel naar eigen zeggen bezig met “een zware budgetteringsronde” en heeft aanstaande woensdag overleg met de vakbonden en de ondernemingsraad over de gevolgen daarvan voor 1994.

De directie wil verder geen mededelingen doen. Uit een vertrouwelijk intern rapport van algemeen directeur drs. H. Zwijnenberg blijkt dat het NIC in 1993 is geconfronteerd met “een tegenvallende omzet en achterblijvende resultaten”. In datzelfde rapport roept de directeur op tot sterke kostenbesparingen, wordt een personeelsstop voor tijdelijk personeel afgekondigd en sluit Zwijnenberg niet uit dat gedwongen ontslagen zullen volgen.

De Dienstenbond FNV zegt dat elke publiciteit rondom het bedrijf nu ongelegen is. FNV-bestuurder J. Grobben geeft wel toe dat de ontwikkelingen bij het voormalig staatsbedrijf hem “zorgen baren”. De bonden hebben begin deze maand vertrouwelijk inzage in de bedrijfsresultaten van de eerste tien maanden en de verwachtingen voor november en december gekregen.

Het NIC werd in 1990 zelfstandig, nadat het als Rijksinkoopbureau meer dan zestig jaar de centrale inkoop voor het Rijk en de gesubsidieerde instellingen had gedaan, van paperclip tot personal computer. Alle aandelen van de NV NIC kwamen in handen van de Staat en zijn dat nog steeds.

De privatisering was politiek omstreden, maar werd ook door het bedrijf zelf zorgelijk tegemoet gezien. De 'verplichte winkelnering' door de departementen en gesubsidieerde instellingen verdween immers bij de verzelfstandiging. De gevolgen daarvan ondervond het NIC al direct in 1991 toen het een belangrijk contract met het ministerie van ontwikkelingssamenwerking verloor. Het NIC bemiddelde voor het departement in projecten ter waarde van 2 miljard gulden. Verantwoordelijk minister Pronk gunde het contract aan een Britse instelling, omdat die goedkoper was. Zowel de vakbonden als de ondernemingsraad zijn over die kwestie nog steeds niet te spreken. “Niet alleen de economische ontwikkelingen zitten het NIC tegen”, stelt FNV-bestuurder Grobben, “ook dergelijke politieke besluiten hebben het verzelfstandigingsproces niet vergemakkelijkt. Dat kostte zeker twintig mensen hun baan.” P. Ros, voorzitter van de ondernemingsraad van het NIC, noemt de kwestie nog steeds “een minne zaak”. De ondernemingsraad van het NIC heeft volgens zijn voorzitter tevergeefs geprobeerd steun te vinden in politiek Den Haag voor behoud van het contract. Ros is overigens net als alle andere betrokkenen, zeer terughoudend in zijn commentaar op de positie van het NIC.

In 1991 bedroeg de omzet van het NIC 209 miljoen gulden, de winst was 110.000 gulden. Het bedrijf hekelde toen in zijn jaarverslag de situatie dat landen binnen de EG de uitvoering van ontwikkelingshulp voorbehouden aan hun eigen nationale inkooporganisatie, terwijl in Nederland buitenlandse inkooporganisaties vrij spel hebben. In 1992 werd een omzet van 240 miljoen gemaakt en een winst van 413.000 gulden geboekt. Het merendeel van de omzet (217,7 miljoen gulden) werd behaald bij de levering van kantoor- en schoolbenodigdheden en beroepskleding. De omzet aan advieswerk bedroeg 22,5 miljoen gulden.

Het vertrouwelijk en voor intern gebruik bedoelde rapport van Zwijnenberg dateert van 28 juli dit jaar. De directeur kondigt daarin “een jaar van de waarheid” aan. Hij memoreert dat in 1993 al verschillende keren grote klanten bestedingsstops hebben doorgevoerd en stelt dat het NIC steeds sterkere concurrentie ondervindt op de collectieve markt van bedrijven die zich voorheen slechts op de private markt richtten. “Voor het vol in ontwikkeling zijnde NIC komen de tegenvallers op een zeer ongelegen moment.” Zwijnenberg kondigt kostenbesparende maatregelen af: er wordt geen nieuw tijdelijk personeel meer aangenomen, het bedrijf zal niet meer aan beurzen deelnemen, medewerkers mogen niet meer naar seminars en het gebruik van lease-auto's zal zeer kritisch worden bekeken.