Ritmisch gedender boven Rotterdam

Jan Willem van Borselen: Sporen in Rotterdam, Stadsgeschiedenis rondom de trein 392 blz., geïll., Stichting Historische Publicaties Roterodamum 1993, ƒ 69,90

De Bloemhofschool 'De Egelantier' was een school voor Gewoon Lager Onderwijs op de hoek van Putselaan en Putsebocht op de grens van de Afrikaanderwijk en Bloemhof. Zij had een grote ommuurde speelplaats en was ontworpen door A. van der Steur, die naast veel schoolgebouwen onder andere ook museum Boymans en de Maastunnelgebouwen op zijn naam heeft staan. Over de Putselaan reed het trammetje, dat niet voor niets 'de Moordenaar' werd genoemd, van de RTM naar Voorne en Putten. Op de onbeveiligde kruisingen met zijstraten liet menigeen het leven. Met enige regelmaat reed over de Putselaan ook een goederentrein van en naar de havens, die voor zijn kleinere soortgenoot niet onderdeed. In mijn vierde klas raakte een klasgenoot onder zijn wielen. Middenin een woonwijk op Rotterdam-Zuid besliste een trein over leven en dood. Zo moet iedereen in Rotterdam wel een herinnering hebben aan een spoorlijn in de buurt. In Sporen in Rotterdam beschrijft Jan Willem van Borselen ze allemaal.

De zwemlessen van 'De Egelantier' werden gegeven in het zwembad in het Mallegat. Het bad bestond uit een open bak, waar het rivierwater vrijelijk doorheen kon stromen, omgeven door badhokjes. Om er te komen moesten twee spoorlijnen worden gepasseerd. De eerste bevond zich in de 2de Rosestraat en vormde de verbinding tussen het goederenstation bij de Spoorweghaven en het rangeerterrein langs de West-Varkenoordseweg. Bij gesloten spoorbomen konden voetgangers en fietsers van een loopbrug gebruik maken (Van Borselen: 'De ongeduldigen die de klim maken moeten wel genoeg lef hebben om zonodig door een rookgordijn te breken'').

Het volgende obstakel werd gevormd door de lijn naar Dordrecht en verder. Op het punt waar de trein tussen de huizenrijen van de Rosestraat en de Oranjeboomstraat vandaan kwam, bevond zich het stationnetje Rotterdam-Zuid. Daaronder was een voetgangerstunneltje, met fietsgleuven naast de trappen, dat in 1935 was ontworpen door architect Sybold van Ravesteyn. Aan de zijde van de Oranjeboomstraat werd het beeld beheerst door de gasfabriek van Feijenoord, waar de schrijfster Annie Salomons werd geboren. Haar vader was er directeur. Ten zuiden van de fabriek lag, aan het eind van een houten steiger in een haventje, het drijvende zwembad. Dat haventje heette het Mallegat.

Met de komst van het aardgas werd de gasfabriek overbodig en gesloopt. Door de vervuiling van de Rijn was het niet langer verantwoord in de rivier te zwemmen en het Mallegat werd gedempt. Met de bouw van de Willemsspoortunnel werd het station Rotterdam-Zuid in noordelijke richting verplaatst. Een nieuw tunneltje, nu ook voor fietsers, verbindt de Rose- met de Oranjeboomstraat op de plaats van het oude station. De voetgangersbrug in de 2de Rosestraat werd kortgeleden afgebroken. De meeste rangeerbewegingen vinden al jaren plaats op het rangeerterrein Kijfhoek in Zwijndrecht (Van Borselen: 'Bij Barendrecht'').

Bij het Mallegat bevond zich tussen 1 november 1872 en 15 mei 1877 het eindstation van de spoorlijn uit Dordrecht, de Zuiderspoorweg. 'Aan de oostzijde (de rivierkant) van de doodlopende rails is een tijdelijk houten stationsgebouw geplaatst, waar men terecht kan voor plaatsbewijzen en bagage. (...) Alles bij elkaar is het een smal en langgerekt emplacement, nogal verlaten en bij guur weer onherbergzaam.'' Van daar werden de reizigers met stoombootjes naar de overkant gebracht, 'want de maatschappij kan het gewoon niet maken om haar spoorklanten daar in die woestenij op Feijenoord aan hun lot over te laten''.

Mallegat

Sporen in Rotterdam is gevuld met de minutieuze beschrijving van de geschiedenis van de spoorwegen in en om Rotterdam, overigens in nauwe samenhang met de ontwikkeling van de haven. In een hang naar volledigheid gaat Van Borselen zelfs zo ver een, volgens de samensteller van het Rotterdamse straatnamenboek, ongefundeerde verklaring voor de naam Mallegat te geven: 'Zo genoemd naar een vlakbij gelegen opslagplaats van houten mallen''. Het is een van de weinige keren, dat Van Borselen op een onjuistheid is te betrappen. Elders laat hij het havenspoor in Rotterdam-West in 1908 vanaf het Noorse kerkje terugbuigen naar de oostkant van de Parkhaven. Het Noorse kerkje werd echter pas in 1914 gebouwd en bovendien op een andere plek. Pas bij de bouw van de Maastunnel moest het verhuizen naar de huidige locatie, van waar in 1908 de sporen terugbogen.

Het boek verscheen kort voor de opening van de Willemsspoortunnel, die het einde betekende voor het luchtspoor door de stad en de spoorbrug over de rivier, die in 1877 in gebruik waren genomen: 'Het is voor het publiek op straat wel even wennen aan het ritmische gedender boven het stadscentrum. En al op de eerste zondag beseffen kerkgangers in de Laurens dat de langsrommelende treinen hoog boven het koor hun eerbiedig samenzijn wreed kunnen verstoren. Na afloop kijken dominee en organist elkaar veelbetekenend aan: alle goeds komt van boven, maar niet alles wat van boven komt is goed.''

In de laatste week van september 1993 werd in de Laurenskerk de opening van de spoortunnel gevierd. Een week lang kon van muziek en literatuur worden genoten zonder om de paar minuten door langsrijdende treinen te worden gestoord. Het viaduct wordt nu gesloopt, waardoor een van de laatste herinneringen aan de vooroorlogse binnenstad uit het stadsbeeld verdwijnt.

Van Borselen heeft een indrukwekkende hoeveelheid materiaal naar boven gehaald en verwerkt. Het is jammer dat Sporen in Rotterdam gedeeltelijk in de oude spelling is geschreven (october, vacantie, electrisch), maar het is nog spijtiger dat Van Borselen dat heeft pogen te compenseren door pupulair taalgebruik (het spoorgebeuren, het havengebeuren, foutje bedankt, fris is anders, best wel, verzin een list, zo kan die wel weer, enzovoort).