Ons Erfdeel en de Vlaams-Nederlandse cultuur op het Binnenhof

Wordt het parlementaire leven zo beheerst door de papierwinkel van de overheid dat Kamerleden niets anders lezen dan nota's? Dat geldt zeker niet voor Frits Niessen, sinds 14 jaar Kamerlid en gepassioneerd bestrijder van politiek en ambtelijk jargon. Hij is adjunct-hoofdredacteur van het Vlaams-Nederlands cultureel tijdschrift Ons Erfdeel, dat energiek de belangen van de Nederlandse literatuur in Europa behartigt.

Zijn leraar Nederlands kan hij er nòg luidruchtig om prijzen. 'Hij dwong ons gedichten uit het hoofd te leren. Ik praat nu over ruim dertig jaar geleden. Het was misschien pedagogisch gezien niet zo verantwoord maar mijn liefde voor poëzie werd er niet alleen door aangewakkerd, mijn leraar zorgde er ook voor dat ik mij ging verdiepen in wat een dichter bedoelde.''

De stem van het PvdA-Tweede Kamerlid F. Niessen (57) krijgt iets warms. Zijn ogen stralen. 'Of ik nog steeds gedichten uit mijn hoofd ken? Maar zeker!'' Hij gaat er even voor zitten. Dan citeert hij minutenlang 'Het Uur U' van de dichter Nijhoff. 'Vroeger kon ik het zonder haperen helemaal opzeggen. Dat lukt nu niet meer zo gemakkelijk.''

In de jaren '50 bezocht Niessen de kweekschool in Dongen. Hij verslond de boeken van Louis Paul Boon, Hugo Claus en Willem Elsschot. Paul van Ostaijen citeerde hij blind. En hij schreef in de schoolkrant, ondermeer over poëzie. Zijn pennevruchten bleven in het naburige Vlaanderen niet onopgemerkt.

Daar zette de schrijver André Demedts zich al geruime tijd in voor het behoud van de Nederlandse cultuur in Noord-Frankrijk. Te zijnen huize werd eind december 1956 het plan geboren een tijdschrift op te richten om de moeilijke situatie waarin de Nederlandse cultuur zich in Noord-Frankrijk bevond, onder de aandacht van een groter publiek te brengen. Maar het tijdschrift zou ook de culturele samenwerking moeten bevorderen van àlle Nederlandstaligen.

De jonge Vlaamse dichter Jozef Deleu was ook bij die vergadering. Demedts vroeg hem in de Noordelijke Nederlanden op zoek te gaan naar mogelijke redacteuren voor het tijdschrift dat Ons Erfdeel zou moeten gaan heten. Via een mederedacteur van de schoolkrant van de kweekschool in Dongen werd Deleu geattendeerd op Frits Niessen die samen met nog twee 'letteren-fanaten' in 1957 toetrad tot de redactie. Toen was het hele Nederlandse taalgebied vertegenwoordigd.

Niessen: 'Het was pionierswerk. In die jaren waren de wederzijdse vooroordelen hechter in de hoofden van mensen verankerd dan nu. Ons Erfdeel is natuurlijk de taal die ons bindt en alles wat met die taal nauw samenhangt. Je kunt makkelijk in nationalistisch vaarwater terecht komen maar wij hebben ons altijd daartegen verzet.''

Het tijdschrift moest zijn publiek 'een spiegel voorhouden van de cultuur, zoals die in de brede zin van het woord in het Nederlands taalgebied leeft en (...) tevens die cultuur in het buitenland verspreiden,'' aldus de redactie. Het tweemaandelijks tijdschrijft groeide gestaag, van 1000 exemplaren per uitgave in de beginjaren tot 10.000 exemplaren op dit moment. Het medewerkersbestand dijde navenant uit. Tussen 1957 en 1989 wist de redactie ruim 1.200 medewerkers aan zich te binden die schreven over literatuur, beeldende kunsten, theater en film. Allengs begon het tijdschrift de redactie boven het hoofd te groeien. De administratieve en financiële rompslomp die het maken van het blad met zich meebracht werd de pioniers van het eerste uur teveel. De Vlaams-Nederlandse Stichting 'Ons Erfdeel' werd in het leven geroepen om de uitgave en de financiering van het tijdschrift veilig te stellen.

Septentrion

Niessen, sinds 1977 adjunct-hoofdredacteur, legt stapels afleveringen op tafel. Hij bladert door het eerste nummer van dit jaar en wijst op een beschouwing over de dichter Leonard Nolens die volgens Niessen 'zwaar is onderschat.'' Ook staat er een beschouwing in over 'De onstuimige opmars van de Nederlandse reisliteratuur', over de 'Onuitroeibare functies van de geschiedenis' en over 'De dreiging van de snelle taalsterfte.'

Sinds 1972 geeft de stichting nog een tijdschrift uit: 'Septentrion, revue de culture néerlandaise', bedoeld om het Franstalige publiek vertrouwd te maken met de Nederlandse cultuur. En in oktober van dit jaar kwam er weer een nieuwe uitgave op de markt: 'The low countries, arts and society in Flanders and the Netherlands,' een jaarboek, bedoeld om de Nederlandse cultuur voor het Engelstalige publiek toegankelijk te maken. Niessen verruilde in oktober even het Binnenhof voor Frankfurt waar hij deze in kleur verzorgde uitgave op de Buchmesse presenteerde.

'Nee hoor, ik voel mij met mijn voorliefde voor poëzie en literatuur geen vreemde op het Binnenhof. Met een kleine onderbreking zit ik hier nu 14 jaar. Ik doe cultuur, onderwijs en binnenlands bestuur. Het is een misverstand dat politici niets anders zouden lezen dan nota's. Het taalgebruik? Tja, je moet oppassen dat je niet in jargon gaat praten. Ik ben ook elke dag op mijn hoede dat ik niet uit een vorm van gemakzucht Engelse termen gebruik wanneer je het net zo goed in het Nederlands kunt zeggen.''

Dat zijn partijgenoten op het Binnenhof 'iets met poëzie hebben' blijkt volgens Niessen uit het feit dat veel van hen een gedicht hebben uitgezocht voor de wekelijkse 'Vrijdagbrief', de weekagenda van de PvdA Tweede Kamerfractie. Frans Leijnse koos bijvoorbeeld het gedicht Twee partijen van Leo Vroman ('Er zijn twee hachelijke partijen: één strevende naar het belachelijke, dat is die der levenden; en een van gezag, dat is die der doden; en als het aan mij lag waren beiden verboden.'). Ella Kalsbeek koos 'De idioot in het bad' van M. Vasalis. D'Ancona 'Moeder' van Willem Elsschot.

Met zijn fractiegenoot E. Jurgens stelde Niessen een bloemlezing samen van gedichten en verzen over politiek en maatschappij die vorige maand werd gepesenteerd.

Na de Kamerverkiezingen in mei volgend jaar komt Niessen niet meer terug. Hij vindt veertien jaar genoeg. Hij is niet bang dat met zijn vertrek ook pleidooien voor vergaande culturele samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen niet meer op het Binnenhof zullen worden gehoord. De grenzen zijn immers geslecht, zegt hij. 'Zeker op cultureel gebied. Samenwerking is ook regeringsbeleid geworden.''