Ondernemers in Europa vrezen extreem-rechts

BRUSSEL/STUTTGART, 18 DEC. Veel grote ondernemers in Europa vrezen dat de snel toenemende werkloosheid niet alleen tot sociale spanningen maar ook tot politiek extremisme zal leiden. Zij vinden dat echter geen reden om de sanering van hun bedrijven af te remmen. Verlaging van de sociale lasten en de minimumlonen alsmede de plicht voor ontvangers van uitkeringen om, als tegenprestatie, werk ten behoeve van de samenleving te verrichten, is hun antwoord.

Etienne Davignon, topman van de Belgische Generale Maatschappij en voormalig lid van de Europese Commissie, zegt: “Het feit dat we de kans onder ogen zien dat snel toenemende werkloosheid politiek extremisme tot gevolg kan hebben, tekent al het gevaar van de situatie. Mensen hebben dikwijls geen geheugen. Ze denken dat tegenwoordig rechts extremisme legitiemer is dan links extremisme. Maar fundamenteel is er niet veel verschil. Het Front National in Frankrijk trekt veel ex-communistische stemmen. Het gaat in alle gevallen om ontevredenheid”.

Hans Peter Stihl, voorzitter van de landelijke organisatie van Duitse Kamers van Koophandel, laat zich in soortgelijke bewoordingen uit. “Er is ongetwijfeld een gevaar dat extremistische stromingen sterker worden. Ik verwacht dat het aantal werklozen in Duitsland op zeker vier miljoen komt. Je kunt niet veronderstellen dat de mensen daar blij mee zijn. Daarom moet er ook alles gedaan worden om betere voorwaarden te scheppen dat mensen aan het werk kunnen blijven.”

Een werkgroep van vertegenwoordigers van grote Europese ondernemingen (Nestlé, Fiat, Nokia, Siemens, Philips, Petrofina en Pilkington) heeft onlangs een rapport gemaakt over de vooruitzichten van de Europese arbeidsmarkt. Ook daarin wordt gewaarschuwd voor politiek extremisme. “Fundamentele sociale structuren van een samenleving zijn in gevaar als werkloosheidspercentages van 20 of meer lange tijd voortduren. De risico's van politiek extremisme en tweedeling in de samenleving verrijzen”, aldus de werkgroep. Volgens de Zwitser Herbert Oberhänsli, secretaris van de werkgroep, is er tijdens discussies een vergelijking getrokken met de jaren dertig. “Maar de geschiedenis herhaalt zich niet. Extreem-links is in moeilijkheden en de discussie overal in Europa over maatregelen om de groei van de harde kern langdurig werklozen tegen te gaan geeft alle hoop dat het risico van extreem-rechts beperkt blijft.”

Pag.18: Ondernemers moeten zelf eens aan gewetensonderzoek doen

Jürgen Schrempp, voorzitter van de raad van bestuur van Deutsche Aerospace (Dasa) en lid van de top van Daimler-Benz, heeft duizenden ontslagen aangekondigd en praat ook over het gevaar van rechts extremisme als reactie op hoge werkloosheid. Hij vindt dat samen met de vakbonden 'creatief' nagedacht moet worden om de stijging van de werkloosheid te beperken. Ook zou voorkomen moeten worden dat stijgende kosten voor uitkeringen ertoe leiden dat de sociale lasten die werkenden moeten opbrengen, omhoog gaan en dat als gevolg daarvan de arbeidskosten in Duitsland verder toenemen.

Volgens de Belgische ondernemer André Leysen (onder andere topman van Gevaert, bestuurslid van de Duitse Treuhand en vice-voorzitter van de raad van toezicht van Philips) is bij vakbonden een groeiend begrip voor de moeilijkheden waarin bedrijven als gevolg van de huidige recessie verkeren. Hij zegt :“Ondernemingen kunnen nu afslanken. Maar ik ben er niet van overtuigd dat de sociale gevolgen daarvan zonder horten of stoten opgevangen zullen worden. Bij stijgende werkloosheid bestaat een gevaar van criminaliteit en extremisme, dat nu meer naar rechts gaat dan naar links, dat in discrediet is geraakt. Vijftig jaar geleden hebben we een spuit gekregen die ons voor honderd jaar immuun voor fascisme zou moeten maken. Ik hoop dat die nog helpt om mensen bewust te maken dat rechts extremisme niet kan. Maar ik vrees wel dat we naar een geweldadiger samenleving gaan. Er bestaat geen recept om veranderingen door te voeren en sociale spanningen te voorkomen. Het is een zaak van vallen en opstaan en zien hoe ver je komt.”

Grote Europese ondernemers wenden hun invloed aan om een aanpak tot stand te brengen waardoor de werkloosheid wordt verminderd. Maar ze zeggen erbij dat zij zelf de grote aantallen benodigde arbeidsplaatsen niet zullen leveren. Floris Maljers, voorzitter van de raad van bestuur van Unilever, zei onlangs in Brussel bij de presentatie van een actieplan van Europese industriëlen:“Wij groten kunnen het probleem van de werkloosheid niet oplossen. Dat moet komen van de kleinere ondernemingen, onze toeleveranciers.” De multinationals beschouwen zichzelf als het vliegwiel van de economie met vooral banen voor hoger betaalden. Verkleining van de harde kern werklozen moet echter vooral komen door het scheppen van lager betaalde arbeidsplaatsen.

Overal klinkt het pleidooi voor lagere lonen dan nu volgens overeenkomsten tussen vakbonden en werkgevers zijn toegestaan. De Duitse ondernemer Stihl bedoelt daar nadrukkelijk niet mee dat het gegarandeerde minimumloon ter discussie moet worden gesteld. Maar in Duitsland is net als in veel andere Europese landen overeengekomen dat de laagstbetaalden ruimschoots meer ontvangen dan het bedrag van de laagste loonschaal. Stihl: “Het risico bestaat dat na de huidige recessie een harde kern werklozen overblijft die groter is dan de groep langdurig werklozen die van de vorige recessie resteerde. Dat heeft te maken met de loonkosten. De twee laagste loonschalen zijn in Duitsland afgeschaft, waardoor het werk in deze categorieën belangrijk duurder is geworden. Dat is een verkeerde beslissing geweest. Loonpolitiek moet geen sociale politiek van de overheid worden. De mogelijkheid moet bestaan ook lager betaalde arbeid in Duitsland te houden. Het is beter om arbeidsplaatsen onder loonschaal 3 te scheppen of te behouden, dan dat zulke arbeidsplaatsen naar het buitenland verdwijnen.” Stihl praat over arbeidsplaatsen in de industrie. Want hij gaat ervan uit dat Duitsers niet zullen gaan vechten om de slechtst betaalde banen, zoals vuilnisophaler, die ze aan buitenlanders overlaten.

Leysen heeft dezelfde redenering: “Het is evident dat minimumlonen de barometer van de werkloosheid zijn. Hoe hoger de laagste lonen, hoe meer werkloosheid van ongeschoolden je hebt. Het staat haaks op ons gevoel dat de samenleving gelijker moet worden. De vakbonden hebben altijd gestreden voor nivellering van inkomens. Dat werkt op termijn averechts.”

Oberhänsli, assistent voor economische zaken van Nestlé-topman Maucher, vertelt dat binnen de werkgroep van grote Europese industrieën de gedachte aan een algemene loonsverlaging is afgewezen omdat de jaren dertig hebben bewezen dat zoiets teveel negatieve gevolgen heeft voor de economie. Maar in het deftige kantoor van de Generale Maatschappij aan de Brusselse Koningslaan haalt Davignon over zo'n uitspraak de schouders op. “We praten nu niet over verlaging van lonen, we zeggen het op een andere manier. We zeggen dat de lonen niet kunnen stijgen zolang de concurrentiepositie niet is hersteld. De mensen hebben zo na verloop van tijd niet minder geld in hun zak, maar hun koopkracht is toch verminderd.”

Maljers van Unilever meent dat niet de Europese loonniveaus het probleem zijn bij concurrentie met andere landen, maar de belastingen en kosten voor sociale zekerheid. Op de sociale zekerheid moet volgens hem bezuinigd worden. Onder ondernemers valt veel kritiek te horen over de manier waarop zij er zelf toe hebben bijgedragen dat die sociale lasten stegen. Leysen: “Het is nodig dat ondernemers zelf eens aan gewetensonderzoek doen. Sociale partners hebben jarenlang afspraken gemaakt waarvan de kosten werden afgewenteld. Werkgevers en vakbonden hebben dure akkoorden afgesloten, wetend dat er mensen uit het arbeidssysteem gestoten moesten worden. Die mensen kwamen ten laste van de overheid - als arbeidsongeschikten, als werklozen of als vervroegd gepensioneerden. De kosten die op de overheid worden afgewenteld komen terug als verhoogde arbeidskosten. Werkgevers zouden meer ruggegraat moeten tonen en werknemers meer bezonnenheid. We hebben een fundamentele fout gemaakt door niet voor nieuw werk te zorgen maar wel voor een goede vergoeding voor degenen die uit het arbeidsproces worden gestoten.”

Binnen Duitsland heeft Stihl kritiek omdat de ondernemers te gemakkelijk akkoord zijn gegaan met de snelle verhoging van de lonen in Oost-Duitsland naar Westduits niveau. “Het gevolg is dat daar nu veel meer mensen werkloos zijn dan noodzakelijk was.” Leysen denkt daar niet anders over : “De vraag is of wij in vredestijd bij machte zijn om een verstarde sociale structuur te doorbreken. Ik had gehoopt dat we als gevolg van de Duitse hereniging in Duitsland een voorbeeld zouden zien van het openen van zulke sociale structuren. We hebben echter een corporatistische reactie gekregen, waarbij iedereen aan zijn eigen standpunten en voordelen vasthoudt. Dat is een grote ontgoocheling.”

Algemeen zijn ondernemers het erover eens dat werklozen die een uitkering ontvangen een tegenprestatie zouden moeten leveren, dat wil zeggen een aantal uren zouden moeten werken totdat zij aan de hand van het minimum uurloon hun uitkering zouden hebben verdiend. Er zou genoeg werk te doen zijn omdat in musea te kort is aan bewaking, in bejaardenhuizen tekort aan hulp. Uitkeringen zonder tegenprestatie zouden beperkt moeten worden tot degenen die daar werkelijk behoefte aan hebben. “Het is wel zo dat elk systeem zijn eigen misbruik schept”, zegt Leysen. “Belgen nestelen zich in een permanente werkloosheid, Nederlanders zijn massaal invalide geworden en Duitsers gaan het meest met ziekteverlof. Maar de tijd dat er iets te verdelen was is voorbij. Het cliëntelisme moet weg en het sociale moet weer op de voorgrond komen.”

Bij die veranderingen om het aantal thuis zittende werklozen te beperken maakt men zich weinig druk over zwarte arbeid. Als iedere werkster wordt gecontroleerd, is het voor de meeste niet interessant meer om nog in een huishouden te helpen. Bovendien, als iedere werkster belasting en sociale lasten betaalt, worden de kosten van zo'n hulp in de huishouding zo hoog, dat bijna niemand zich er nog een kan permitteren. Bestrijding van zwart werkende werksters betekent dus vermindering van werk. Oberhänsli: “Als de staat teveel vraagt, tracht men het werk in een gezonde economie ten dele zwart te doen. Je moet dan niet meer politie inzetten voor het opsporen van zwart werk, maar dat zwarte werk zo beconcurreren dat het vanzelf weer wit wordt.”

De ondernemers praten veel over het begin van een nieuw tijdperk, waarbij ze enerzijds veranderingen willen maar ook hopen dat de vakbonden niet te veel aan macht verliezen. Volgens de Belg Davignon zitten de vakbonden in een overgangsproces. “Hun prioriteit is nog steeds het verdedigen van de mensen met werk, de mensen die bang zijn voor de gevolgen van het verliezen van hun werk.” Anderen constateren dat de leiding van de vakbonden anders dan de basis inziet hoe de tijden veranderd zijn. “De basis aanvaardt nog niet dat het tijdperk van herverdeling van inkomens voorbij is”, zegt Leysen.

In Duitsland denkt ondernemer Stihl dat er voor de vakbonden niets anders op zit dan zich flexibeler op te stellen dan tot nu toe het geval was. “Ze moeten zich realiseren dat de omstandigheden in Europa veranderd zijn. De komende jaren is achteruitgang van de reële inkomens mogelijk. Als de vakbonden van deze onontkoombare ontwikkeling niets willen weten, dan verliezen ze aan invloed.” Hij erkent dat dat ook een probleem is voor de werkgevers, die een betrouwbare onderhandelingspartner kunnen verliezen. “Natuurlijk, maar er is geen andere keus. Er moeten maatregelen worden genomen.” Stihl ziet weinig reden tot terughoudendheid tegenover de (Duitse) vakbonden. Zij hebben de afgelopen jaren genoeg schandelen met eigen bestuurders gehad - over handel in aandelen met voorkennis en fraude bij sociale woningbouw - om Stihl het gevoel te geven dat 'ze werkgevers voorlopig niets te verwijten hebben'.

Maar het Duitse model waarbij consensus tussen werkgevers en werknemers centraal staat wil niemand in gevaar brengen. Het is een model waar sommige Fransen jaloers naar kijken. Michel Albert, bestuursvoorzitter van Assurances Générales de France, bepleitte dat model voor zijn land in een succesvol, ook in het Nederlands vertaald boek *). De recente stakingen bij Air France hebben Franse ondernemers nog eens extra attent gemaakt op het Duitse overlegmodel, waarbij grote ontslaggolven tot nu toe nog niet tot zo'n verzet hebben geleid.

Ondanks al hun zorgen over werkloosheid zijn de ondernemers wel eensgezind in hun afkeer van de manier waarop Volkswagen massale ontslagen heeft voorkomen. Volkswagen heeft de vierdaagse werkweek ingevoerd. Men erkent dat het voor Volkswagen wellicht niet anders kon, maar het zou voor anderen geen recept zijn om de problemen met overtollig personeel aan te pakken. Volkswagen had een aantal specifieke problemen. Contractueel moest de autofabrikant in geval van arbeidstijdverkorting 95 procent van de salarissen doorbetalen. Dat was duur. Het afvloeien van 30.000 mensen was helemaal kostbaar.

Leysen: “De bij Volkswagen overeengekomen vierdaagse werkweek kunt u positief en negatief zien. Het is positief dat de werknemers bereid zijn tot een inkomensvermindering tussen de tien en vijftien procent om iedereen aan het werk te houden. Op lange termijn is het rampzalig. Nog geen land is rijker geworden van minder presteren in plaats van meer presteren. Bovendien, Volkswagen bespaart dank zij de vierdaagse werkweek sociale kosten. Maar de Duitse overheid moet dat aanvullen. De mensen werken tachtig procent, maar de sociale lasten en pensioenrechten moeten honderd procent doorgaan. Zoiets is maar bij enkele bedrijven mogelijk, anders wordt de neiging om kosten naar de staat af te schuiven nog eens versterkt.”

Dat betekent niet dat de ondernemers tegenstander zijn van deeltijdwerk. Integendeel, als een functie zich daartoe leent kan die best door twee deeltijdwerkers worden gedaan. Twee halve werkers kosten meer dan één hele, daarom kan de overheid die dankzij deeltijdwerk minder aan sociale uitkeringen uitgeeft hiervoor best bijdragen, vindt Davignon. De kans op misbruik? “Misbruik is er nu ook”, is zijn overtuiging.

*) Kapitalisme contra kapitalisme, Contact, Amsterdam 1992.