Nederlandse reacties

Nederlandse politici, medewerkers van justitie en politie reageren verschillend op de uitspraken van rechter Lupacchini over strijd tegen de georganiseerde misdaad in Nederland.

'Een land met een zo open karakter als Nederland heeft inderdaad het probleem dat het niet gelijktijdig een economische 'gateway' tot Europa kan zijn en tevens alles kan controleren'', zegt VVD-kamerlid Hans Dijkstal. Volgens hem legt de Italiaanse rechter de vinger op de zere plek: er moeten economische keuzes worden gemaakt. 'Wil men de moderne georganiseerde misdaad kunnen bestrijden dan moet er een prioriteit komen bij de controle op financiële transacties'', aldus Dijkstal. Een voorbeeld is de wet op de Melding van Ongebruikelijke Transacties (MOT) die volgend jaar in werking zal treden. Met deze wet worden banken onder andere verplicht om transacties boven de 15.000 gulden te melden bij de Centrale Recherche en Informatiedienst (CRI). 'Zoiets werkt natuurlijk remmend op de handel. Maar een dergelijke beperking vind ik - in het licht van het enorme gevaar van de georganiseerde misdaad - meer dan aanvaardbaar.''

Dijkstal: 'Het heeft veel te lang geduurd voordat we wilden erkennen dat Italië ook in ons land aan de orde is.'' De regering is veel te laks. Zo zijn er na drie jaar praten nog steeds geen landelijke opsporingsteams. Geld om politie en justitie beter toe te rusten, wordt er niet uitgetrokken. 'Die rechter heeft groot gelijk wanneer hij juist het internationale karakter van de moderne misdaad benadrukt'', zegt Dijkstal. Alleen een goed en efficiënt werkend opsporingsapparaat kan deze criminaliteit een halt toeroepen.

PvdA-kamerlid J. Stoffelen is het met zijn collega eens. 'Er is tot nu toe veel te weinig aandacht besteed aan de vertakkingen van de buitenlandse criminele organisaties in Nederland'', zegt hij. De nota bestrijding van de georganiseerde criminaliteit die de regering vorig jaar aan de Kamer presenteerde noemt hij een 'surrealistisch' schrijfsel. Inmiddels is de ernst van de situatie tot de minister van justitie doorgedrongen. Maar maatregelen moeten er nog komen.

Kamerlid Stoffelen pleit voor een beschermde Kroongetuige, analoog aan de Italiaanse wet op de pentiti. (Hierdoor kunnen misdadigers die met justitie samenwerken worden beschermd tegen wraakacties van hun vroegere maten.) Het infiltreren van bedrijven waarvan het vermoeden bestaat dat de georganiseerde misdaad daar actief is zou volgens Stoffelen op de agenda moeten komen. Tenslotte zou de MOT-wet drastisch moeten worden uitgebreid. Beroepsgroepen als accountants, fiscalisten, koppelbazen en aannemers zouden ook een meldingsplicht moeten krijgen.

De Utrechtse hoofdofficier van justitie mr. R. Berger kijkt beduidend anders tegen de situatie aan. Volgens hem is het beeld dat de Italiaanse rechter van de Nederlandse crininaliteitsbestrijding schetst 'gechargeerd'. Het is niet waar, meent Berger, dat de Utrechtse opsporingsambtenaren in de zaak rond de moord op de Turkse drugshandelaar in de bossen bij Doorn een lakse houding zouden hebben vertoond. 'Een van onze officieren van justitie is naar Italië gegaan. Ook de Utrechtse politie heeft onderzoek gedaan. Wat de Italianen hier ook gevonden mogen hebben, het heeft in elk geval niet geleid tot het opsporen van de dader van de moord.'' Officier Berger krijgt 'een licht gevoel van alergie' bij de kritiek die Lupacchini op het Nederlandse criminaliteitsbeleid uit. 'In vergelijking met het buitenland slaan we in Nederland bepaald geen slecht figuur'', meent hij.

Misschien heeft elk land wel zijn eigen vormen van georganiseerde criminaliteit, oppert Berger. Dan zouden er dus ook geen algemene uitspraken gelden over de manier waarop hij bestreden moet worden. Bovendien: 'Als ik de liquidaties bekijk, dan valt die goede internationale samenwerking tussen criminelen ook wel tegen.''

Voor een meer specifiek beeld van de bestrijding van de georganiseerde misdaad in Nederland verwijst hij naar het hoofd van de Centrale Recherche en Informatiedienst (CRI). Deze weigert commentaar. 'Het gaat om beleid, en dat is de verantwoordelijkheid van het ministerie van justitie.'' Maar ook het ministerie hult zich in stilzwijgen. 'Wij gaan niet in op vragen over de bestrijding van de georganiseerde misdaad'', zegt de coördinator van het project bestrijding georganiseerde misdaad. Hoofdofficier Berger vindt dat 'een mooi antwoord': 'Je moet het geheim van de kok niet verklappen.''

De Amsterdamse politiecommissaris B. Welten vindt dat rechter Lupacchini 'vreselijk gelijk' heeft wanneer hij stelt dat er harde economische keuzes gemaakt moeten worden. 'De criminele bedragen die in Nederland omgaan, lopen in de miljarden'', zegt Welten. Het zou naief zijn te veronderstellen dat dit geld alleen tussen criminelen onderling circuleert. 'De integriteit van veel ogenschijnlijk fatsoenlijke zakenlieden wordt dikwijls bepaald door de economische belangen die ze hebben. Dat betekent dus dat men belang kan hebben bij het instandhouden van de criminaliteit.''