'Milieubeleid hangt van fiasco's aan elkaar'; Natuur en Milieu prijst zes grote oliemaatschappijen

UTRECHT, 18 DEC. Het landelijk milieubeleid hangt voor een belangrijk deel van fiasco's aan elkaar. En als er al successen worden geboekt, is dat voornamelijk te danken aan eigen initiatieven uit het bedrijfsleven. Met deze sombere vaststelling blikt de Stichting Natuur en Milieu terug op de periode die verliep tussen de publikatie van het eerste Nationaal Milieubeleidsplan (NMP) in 1989 en de verschijning van het tweede, dat volgende week wordt verwacht.

“We hebben”, zegt directeur A. van den Biggelaar, “een sterk vermoeden, dat ondernemend Nederland in het licht van de heersende recessie bezig is alle afspraken die met de regering zijn gemaakt, af te zwakken.” En J. Henselmans, hoofd milieubescherming: “De regering laat zich door het bedrijfsleven dicteren in welk tempo de noodzakelijke milieumaatregelen worden uitgevoerd.”

Natuur en Milieu, waarin een groot aantal milieugroepen samenwerkt, heeft onderzocht wat er van de uitvoering van het NMP - en de aangescherpte versie uit 1990 - is terechtgekomen en of de doelstellingen zullen worden gehaald. Een voornamelijk negatief beeld is de slotsom van die exercitie. Vooral waar de regering met het bedrijfsleven zogenoemde convenanten heeft afgesloten om de vervuiling terug te dringen, ziet de milieubeweging zeer weinig resultaat. Soms kan een convenant zelfs niet verhoeden dat de situatie verslechtert.

Hij doelt onder meer op het 'herenakkoord' tussen VROM en het bedrijfsleven om de stroom verpakkingsmateriaal in het afval terug te dringen. Ruim drie jaar nadat de afspraak werd gemaakt, is de totale hoeveelheid afval in die sector niet geslonken, maar sinds 1986 gestegen met ruim twintig procent. Van den Biggelaar: “Het merendeel van de bedrijven bakt er niets van, terwijl de firma's die zich wel aan de afspraak houden, door hun extra investeringen in een nadelige concurrentiepositie verkeren.” Als waarnemer in de stuurgroep verpakkingen, die toeziet op de naleving van het convenant, noemt hij dit “ronduit bedroevend”.

Een andere afspraak die volgens de milieubeweging bij het huidige beleid tot mislukken is gedoemd, betreft het tegengaan van de verdroging, vooral van natuurgebieden. Dit verschijnsel wordt veroorzaakt door doelbewuste verlagingen van het grondwaterpeil en de massale onttrekking van grondwater voor landbouw, drinkwatervoorziening en industrie. Hierdoor verkommeren vochtminnende plantesoorten en loopt ook de dierenwereld (bijvoorbeeld vlinders en weidevogels) schade op.

Volgens het NMP moet het areaal verdroogd land in het jaar 2000 met 25 procent zijn afgenomen, maar met de huidige maatregelen en voorstellen wordt een vermindering van slechts 2 procent bereikt. “Dat komt”, zegt Van den Biggelaar, “doordat er aan de onttrekking van grondwater nog altijd geen extra eisen worden gesteld. Provincies en gemeenten zijn nog steeds met onderzoek bezig om te kijken waar de grootste problemen zitten, om dan pas maatregelen te treffen. Een uiterst stroperige gang van zaken.”

Het nieuwste echec in de convenantensfeer is dat van de basismetaalindustrie. Natuur en Milieu hebben zojuist de laatste cijfers binnengekregen: bij tal van stoffen die de lucht vervuilen, zullen de doelstellingen met de huidige inspanningen in de verste verte niet worden gehaald.

Toch zijn er ook succesen te melden, ook al vloeien die niet rechtstreeks voort uit het NMP. Zes grote oliemaatschappijen hebben zich ingezet om de verontreinigde bodem onder zesduizend tankstations schoon te maken en vervuiling in de toekomst te voorkomen door onder de stations een beschermende laag aan te brengen. Bovendien is een systeem ingevoerd om schadelijke dampen die bij het tanken vrijkomen op te vangen. Die dampen, die bijdragen aan de vorming van smog, komen in de voorraadtanks terug en kunnen weer als brandstof worden gebruikt.

De schoonmaakoperatie leidt ertoe dat kleinere particuliere tankstations, die de saneringskosten niet kunnen opbrengen, failliet gaan. Om de bewuste grond toch te kunnen reinigen, is een fonds gevormd dat wordt gevoed uit een opslag van één à twee cent op de benzineprijs. Natuur en Milieu noemt dit een goed voorbeeld van eigen initiatief dat het milieu ten goede komt. Van den Biggelaar: “Die initiatieven, waarbij geen formele afspraken met VROM in het geding zijn, halen het overheidsbeleid in.”

Een andere succes story is volgens hem en Henselmans het milieu-actieplan van de energiedistributiebedrijven. “Zij geven kortingen op spaarlampen, subsidiëren hoge-rendementsketels en bouwen regelmatig warmte-krachtinstallaties. Zulke installaties combineren de opwekking van warmte en elektriciteit en besparen dus veel brandstof.”

Door deze activiteiten zal in het jaar 2000 tien procent minder kooldioxyde in de lucht terechtkomen dan in 1990: een reductie van bijna 18 miljoen ton van dit beruchte broeikasgas. Op het ogenblik krijgt de atmosfeer circa 180 miljoen ton kooldioxyde uit Nederlandse bronnen te verwerken.

“Dit succes”, aldus Henselmans, “wordt echter volledig teniet gedaan door de autonome groei van het gebruik van fossiele brandstoffen. Daarvoor zijn verkeer en industrie grotendeels verantwoordelijk.” Volgens de jongste milieuverkenning van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne zal de uitstoot van kooldioxyde in het jaar 2000 zijn toegenomen met 10 à 15 procent. Een aanzienlijke stijging, terwijl een vermindering van vijf procent in datzelfde jaar wordt beoogd. Henselmans: “Het CO-probleem is werkelijk een ramp.”

Ook stikstofoxyden (NO), die bijdragen aan de verzuring, worden volgens Natuur en Milieu niet of nauwelijks bestreden. Hier zijn de grote industriële stookinstallaties en het op dieselolie draaiende goederenvervoer de boosdoeners. Henselmans: “Er is zelfs geen begin van verbetering te bespeuren. De industrie gaat de NO-problematiek volledig uit de weg door noodzakelijke investeringen achterwege te laten. En wat de uitstoot door vrachtwagens betreft: er blijkt nog geen technisch middel voorhanden om die emissies aan banden te leggen. De regering is, anders dan het RIVM, zeer optimistisch over de technische mogelijkheden om vrachtwagens schoner te maken, maar dat is vooral whisfull thinking.”

Daar komt bij dat het goederentransport nog altijd een sterke groei te zien geeft. Van den Biggelaar: “Dat is een van de meest zorglijke ontwikkelingen. Er wordt een stijging verwacht van 445 miljoen ton vracht nu naar 720 miljoen ton in het jaar 2010. Daar doen die zes miljoen ton die de Betuwelijn straks voor zijn rekening neemt, praktisch niets aan af. Er moet dus een drastische omslag komen in het goederenvervoer, van de weg naar rail en water. Lukt dat niet, dan liggen hier de grenzen van Nederland-distributieland.”

Op het gebied van transport denkt Nederland niet Europees genoeg, zegt Van den Biggelaar. “Er wordt toch wat nodeloos over grote afstanden heen en weer gereden. Het is toch absurd dat Nederlandse varkens op transport gaan naar Italië om in de vorm van Parmaham terug te komen. Of dat cabines van DAF in Portugal worden gespoten om daarna weer in de Nederlandse montagehal te verschijnen.”