MICHIGAN

Buiten waait de Michigan-wind een dunne regen schuin over de straten; de gebouwen die anders de goden lijken te tarten verdwijnen hulpeloos in de lage wolken en de daklozen zoeken in donkere stegen tevergeefs bescherming achter hun zwaar beladen supermarktkarren. Hier binnen is het behaaglijk warm, maar minstens zo triest.

Ongeveer twintig mannen komen bij elkaar na een werkdag van twaalf, dertien uur, in een ruimte die ooit was ingericht als hamburgertent, maar waar nu de geur van somosa's en massala-dosa's hangt. Achter het geroezemoes in het Punjabi, met flarden Engels, klinkt vaagjes een melancholisch lied uit een Indiase film. De meeste aanwezigen zitten met hun winterjassen nog aan, behalve degenen die aan het biljarten zijn: de nieuwelingen die ergens in de stad een appartement hebben waar niemand op hen wacht. Als ze straks weggaan zullen ze, uit pure verveling, nog maar een paar ritten rijden, in de riskante buurten tijdens de gevaarlijke uren. Bij zonsondergang zullen ze bijna tweehonderd dollar op zak hebben, die ze naar hun vrouw en kinderen opsturen; een handeling die routinematiger wordt naarmate ze zich het gezicht van hun dierbaren minder goed kunnen herinneren.

Djasbier Singh is al twaalf jaar in het vak en ooit net zo begonnen: zonder greencard, zonder gezin en in het besef dat ieder jaar vijftien van de honderd taxichauffeurs bij gewapende overvallen worden vermoord. Het is een immigrantenbaan, die in Chicago is overgenomen door Indiërs, meestal Sikhs. En de meeste Sikhs hebben maar een droom: zo gauw mogelijk uit het vak, om een eigen winkel te beginnen.

Djasbier heeft het ook geprobeerd, zes jaar geleden. Hij kreeg een vergunning voor een eigen taxi, een medallion, zoals dat heet. De gemeente verstrekt er jaarlijks maar enkele tientallen, door middel van een openbare loterij, maar de vergunning is niet op naam gesteld en daarom verhandelbaar. De prijs is, sinds de Sikhs een paar jaar geleden het taxiwezen van de zwarte Amerikanen overnamen, verdubbeld tot veertigduizend dollar, omdat Indiërs zo'n hechte, eendrachtige gemeenschap zouden vormen en het geld dus wel aan elkaar konden voorschieten.

Hechte gemeenschap, zegt Djasbier smalend, en hij laat er een vloek op volgen. Hij won zijn medallion al na zes jaar (anderen wachten soms achttien jaar), maar hij verkocht hem: met een deel van het geld liet hij zijn gezin overkomen, de rest investeerde hij in een pompstation van twee Indiërs. Hij werd opgelicht, verloor zijn vermogen en kwam weer op straat terecht, in de auto van Yellow-Cab waar hij nog altijd in rijdt.

Indiërs, zegt Djasbier, zijn er in twee soorten. De hele rijken, zoals zijn zwager, en de vele armen, zoals deze jongens hier. Zij komen nooit verder, tenzij een wonder geschiedt. Ze werken van zes uur 's ochtends tot acht uur 's avonds. Soms zeven dagen per week. Voor vertier zijn ze te afgepeigerd. Zelfs het drinken in deze cabjoint doen ze haastig, met grote slokken, waardoor ze snel dronken worden en thuis meteen in slaap vallen. Het is een hard en ondankbaar bestaan. In de kranten wordt tegenwoordig openlijk gescholden op de Indiase taxichauffeurs die de weg in Chicago niet kennen, te langzaam rijden, niet behoorlijk Engels spreken en naar knoflook ruiken.

Maar hier hebben ze elkaar. In dit treurige interieur hangt een intieme sfeer van mannelijke kameraadschap, die nog eens wordt bevestigd door de honderd dollar die ieder van hen tweewekelijks in een pot zet, voor plotselinge calamiteiten. Zoals het betalen van de borgsom voor een collega die is opgepakt omdat hij geen greencard bezit.

In kringen van rijke Indiërs is dat anders, weet Djasbier. Zijn zwager bijvoorbeeld begon twintig jaar geleden als arbeider in een paddestoelenkwekerij. Djasbier herinnert zich nog zijn eerste dag in Amerika, toen hij van zijn zwager een glas water kreeg en een deken, omdat hij op de stookkosten bezuinigde, en op een plastic tuinstoel mocht gaan zitten. Maar een paar jaar later begon de zwager een eigen kwekerij en nu is hij zo rijk, dat hij zijn huis heeft gebouwd met stenen die hij uit India heeft laten halen. De kennissen van de zwager zijn Indiase artsen en makelaars, allemaal miljonairs. Maar ze zitten tijdens de maaltijd op de vloer, om de eettafel niet te slijten. Gehaaide, hebberige mensen die voortdurend over zichzelf opscheppen en geen mens, niet eens een familielid een dienst bewijzen zonder er geld voor te vragen.

Djasbier is een groot gebouwde, vijfendertig jarige, niet gelovige Sikh die zonder te knipperen een vol bekertje whisky achterover slaat en rustig zijn baard afveegt. Hij reed mij van de luchthaven naar het centrum en gaf mij meteen belangwekkende informatie over de gebouwen die ik moest bezichtigen en de wijken waar ik na zonsondergang vandaan moest blijven. Zelfs de Indiase wijk wordt onveilig gemaakt, door Indiase jongeren. We werden vrienden. De volgende dag gaf hij me een rondgang langs alle etnische wijken van Chicago. We eindigden in deze kroeg, die dag en nacht open is. De banken zijn gescheurd, de wc is verstopt, het eten is niet smakelijk en de vloer is niet schoon, maar het is hier een grote surrogaat-familie waarin je snel wordt opgenomen, als je tenminste een Indiaas uiterlijk hebt.

De achtergrond van de chauffeurs is soms bizar. Er is een Vietnam-veteraan die langdurig staart naar een televisietoestel waarvan het geluid is afgezet. Hij ziet er deftig uit, in zijn regenjas, en zijn parfum is op grote afstand te ruiken. Hij overgiet zich elke dag met een hele fles, beweren zijn collega's. Tijdens de oorlog moest hij de lijken in zakken stoppen, vandaar. Hij loopt met zijn Amerikaanse paspoort en al zijn legerpaperassen rond en wordt woedend als de politie hem voor een illegaal aanziet en hem aanhoudt. Twee tafels verder zit een oude Pakistani die in eigen land bankdirekteur is geweest, een ander was in India lid van de gemeenteraad. Mensen van aanzien, die om onduidelijke redenen hun land hebben verlaten en in Amerika een tweede leven zijn begonnen, soms op een leeftijd van vijftig. Veel zullen ze niet meer bereiken, maar hun hoop is gevestigd op de toekomst van de kinderen.

Maar het ergste is, zegt Djasbier als we tegen middernacht het café verlaten, dat ook de kinderen het laten afweten, en alle moeite voor niets is geweest. Zijn eigen dochter is nu zestien. Hij heeft haar zoveel mogelijk volgens de Indiase cultuur opgevoed, door haar veel Indiase films te laten zien en haar drie keer naar het land mee te nemen. En nu, zegt hij mistroostig, nu wil ze net als alle andere Amerikaanse meisjes met jongens uitgaan. We don't date, legde hij zijn dochter uit, Indiërs trouwen, en dan alleen met iemand uit de eigen kaste. Maar ze luistert niet, ze geeft hem een grote mond en dreigt uit huis weg te lopen.

Djasbier probeert een beetje te ontnuchteren door zijn gezicht nat te laten regenen. Hij houdt van Amerika, zegt hij, en hij heeft geprobeerd ruimdenkend te zijn. De Michigan is de Ganges niet. Net als iedereen viert hij thanksgiving (al kruidt hij de kalkoen met kerrie) en hij neemt ieder jaar een kerstboom. Hij rookt thuis nooit, omdat zijn kinderen het niet willen. Het zijn Indiase Amerikaantjes, dat snapt hij wel, maar er zijn grenzen.