Hoe wonderlijk is Jezus Christus

E.P. Sanders: The historical figure of Jesus 256 blz., Viking Penguin Press 1993, ƒ 65,65

Van het begin af aan is het beeld van Jezus van Nazareth gekleurd geweest. Hij schiep een beeld van zichzelf, de evangelisten werkten dit op hun eigen manier uit en daarop volgden weer twee millennia theologische duiding. De Amerikaanse historicus E.P. Sanders probeert een zuiverder inzicht te krijgen in de historische Jezus door hem in zijn maatschappelijke en ideologische context te plaatsen.

Over Jezus is weinig historisch materiaal overgeleverd en wat er is, is geschreven door mensen die de uitgesproken bedoeling hadden hem te verheerlijken. Wat is er in zulke berichtgeving informatie en wat niet? De Verlichting stelde de vraag, ze hoopte dat onbevooroordeeld onderzoek de weg zou openen naar 'de historische Jezus', Jezus zonder de beduimelde handgrepen van de lerende kerk. Maar zonder vooroordelen kwam ook de Verlichting niet uit de slag: in plaats van de 'opgehemelde' kerkelijke Christus krijgen we Jezus als moreel genie. Sedertdien wemelt het van Jezus-beelden. Hoe komt dat zo?

De Amerikaanse historicus E.P. Sanders zegt dat theologische preoccupaties de onderzoekers parten spelen. Hun ideologie, noemt hij het. Vervolgens zijn er de evangelisten. Ook zij hebben hun ideologie, ieder zelfs zijn eigen. Wat ze onderling verbindt is dat ze Jezus verheerlijken, daarom vertellen ze hun verhaal. Maar toch, Mattëus spreekt anders dan Lucas en Lucas laat opzettelijk dingen weg uit de passages die hij uit Marcus overneemt. Daar komen dan nog de geloofsopvattingen van Jezus bij. Wat dacht hij van zichzelf, van zijn rol ten aanzien van zijn eigen volk en zijn plaats ten opzichte van God? Er zijn dus drie lagen van geloofsopvattingen (inkleuringen) die de onderzoeker uit elkaar moet houden om erachter te komen welke inkleuring van Jezus zelf afkomstig is en welke van zijn verkondigers.

Ik formuleer daarmee het onderzoeksthema van Sanders. Zijn materiaal vormen de evangeliën, in het bijzonder Marcus, Lucas en Mattëus, de synoptische evangeliën genoemd omdat ze vanuit één en hetzelfde gezichtspunt Jezus' leven beschrijven. Johannes blijft buiten schot, althans grotendeels. Sinds jaar en dag geldt als communis opinio onder onderzoekers dat Johannes een ver voortgeschreden vorm van theologische verwerking is van het leven van Jezus.

Maar ook de synoptici zijn theologen, verkondigers, ze vertellen verder en kleuren dus in. Je kunt die inkleuringen wel van de persoon van Jezus proberen af te halen, maar dan gaat het als met de plakpapiertjes van de lagere school: wanneer je de kleurtjes had overgebracht op de bovenkant van je hand (eerst met spuug nat maken), gooide je het papiertje weg, er stond niets meer op.

Hoe achterhaal je wat iemand heeft gedacht, als je alleen geschriften hebt, waarin de betrokkene wordt verheerlijkt? Sanders schakelt de context in waarin Jezus leefde. Context moeten we dan in de meest ruime zin nemen, niet alleen wat de maatschappelijke en historische kant betreft maar ook de ideologische. Wat hoorde - om een voorbeeld te geven dat voor Sanders van groot gewicht is - de doorsnee hoorder in 'zoon van God'?

In Jezus' tijd was de meervoudsvorm gangbaar: alle israëlieten waren 'zonen van God'. Het enkelvoud, 'zoon van God', als verwijzing naar een bepaald persoon, heeft de hoorders als ongebruikelijk in de oren geklonken, maar aan iets anders dan een bijzondere relatie met God zou geen hoorder hebben gedacht. Niemand zou er de conclusie van een niet-natuurlijke geboorte uit trekken, laat staan er, op de manier van de Griekse mythologie, een hybridisch wezen van maken, half god half mens. 'Zoon van God' draagt, in de wereld waarin Jezus optrad, dus niet de zware lading die de latere generaties theologen eraan hebben gegeven. Met alle consequenties die daaraan weer vast zaten, een complete christologie in termen van een goddelijke en een menselijke natuur, verenigd in de ene persoon van Jezus.

En Jezus zelf, wat dacht hij over zichzelf? Die kwestie is volgens Sanders in elk geval niet via zijn nieuwtestamentische titels op te lossen. Niet alleen zijn de titels zonder definitie (en dus meerzinnig), het is ook duidelijk dat Jezus, voorzover we kunnen nagaan, zichzelf niet 'zoon van God' heeft genoemd, de titel 'Messias' weigerde en alleen over zichzelf als 'de Zoon des mensen' spreekt. Maar juist die titel wordt in meer dan één betekenis gebruikt, ook door Jezus zelf. Bovendien lijkt het er soms op dat Jezus er een ander mee bedoelt dan zichzelf, veel informatie levert het woord dus niet op. De titels dienen vooral als invalspoorten voor theologie.

Wie zich niet beperkt tot de titels maar de moeite neemt de evangeliën in hun geheel te lezen, krijgt een beeld met heel andere zwaartepunten dan de conventionele. De belangrijkste correctie is wel dat Jezus volgens de synoptische evangeliën niet allereerst een prediker was maar een wonderdoener. In hoofdzaak gaat het om drie groepen wonderen: 'healing' (ik neem de term van Sanders over want dat woord is ook in Nederland gangbaar in bepaalde esoterische kringen), exorcisme (uitbannen van boze geesten) en wonderen op het gebied van de natuur.

De 18de-eeuwse Rationalisten hadden grote moeite met de wonderen: wonderen bestaan niet. Dat was natuurlijk ook een ideologie, zegt Sanders. Je kunt het vooral zien aan de verbetenheid waarmee men erover in de slag ging met de orthodoxie. Nu is het stellig zo, dat de meeste mensen, als het om wonderen gaat, sceptisch zijn. Ze volgen de regel van Cicero: wat niet gebeuren kan, is niet gebeurd en wat kan gebeuren is geen wonder.

Zulke gevoelens kun je onmogelijk thuislaten als je de wonderverhalen leest, maar ze hoeven niet de rol van een argument te spelen. Om de wonderen van Jezus de hun toekomende plaats te kunnen geven, is het veel eenvoudiger om je in die tijd te verplaatsen. Dan zie je dat wonderdoeners in de joodse wereld allerminst ongebruikelijk waren. Jezus is als wonderdoener soms anders, maar in elk geval geen uitzondering. Om maar iets naar voren te halen: 'healing' volgt bij Jezus niet de weg van de magie, maar is er niet minder 'healing' om. Hetzelfde gaat op voor het exorcisme: Jezus bant boze geesten uit, maar evenals bij 'healing' is dat niet een prerogatief van Jezus. Er zijn meer joodse exorcisten. Jezus merkt dat trouwens zelf op, als hij op zijn exorcisme wordt aangesproken met de beschuldiging: duivelswerk! Zijn antwoord is: 'als ik het door de duivel zelf zou klaarspelen, hoe spelen jullie eigen zonen het dan klaar?' (Matt. 12, 22-37). Je kunt uit de 'healings' en uit dat uitdrijven van boze geesten dus niet een bewijs van Jezus' bovennatuurlijke geboorte afleiden, zoals de kerkvaders plachten te doen.

En die wonderen op het vlak van de natuur dan? Jezus liep toch op het water? De Rationalisten verzonnen er van alles op: door een mistbank leek het alsof hij op het water liep, maar hij stond aan de kant. Of ander voorstel: Jezus stapte op een dikke balk die net zo'n beetje onder water zakte maar hem toch nog kon dragen; begrijpelijk dat ze dachten dat hij op het water liep. Noodoplossingen, bedoeld om de tekst haar waarde als historische berichtgever te laten houden. Daarin verschilden de Rationalisten niet van de orthodoxe theologen. Maar de vraag is juist of de tekst historische informatie biedt. En dan nog! Stel dat Jezus echt op het water liep, wat willen we er dan mee? Ook op het water lopen? Dan verdrink je, zoals onlangs een aantal Afrikaanse evangelisten overkwam. Maar het is toch een wonder, Jezus deed toch een wonder? Inderdaad, dat is alles wat je ervan overhoudt, als je per se wilt vasthouden aan 'waar gebeurd': Jezus was een wonderdoener. Opnieuw, een bewijs van zijn goddelijke natuur kan er niet van worden gemaakt. 'Hij is ons in alles gelijk geworden'', citeert Sanders een klassieke kerkelijke belijdenis, 'uitgenomen de zonde''. Er staat niet, voegt hij eraan toe, 'uitgenomen dat hij op het water kon lopen''.

Het meest interessant is wat Sanders over Jezus en het Koninkrijk Gods schrijft. Zijn wonderen zijn zowel voor zijn tijdgenoten als voor hemzelf een teken van een bijzondere relatie met God. Daaraan zat voor Jezus een bijzondere missie gekoppeld: hij moest het Rijk van God aankondigen. Jezus was dus allereerst een eschatologische profeet, een aankondiger, maar daar houdt het verhaal niet op. Van dat Rijk zag hij zichzelf als 'viceroy', onderkoning en zaakwaarnemer.

Maar wat is Rijk Gods? In de context van die tijd altijd iets van God zelf: zijn heerschappij. Hetzelfde dus als: Zijn wil wordt gedaan. Dat is het geval in de hemel, bij 'Koninkrijk' moeten we daar dus eerst aan denken. Vandaar de telkens terugkerende uitspraak dat mensen al dan niet het Koninkrijk Gods zullen 'binnen gaan' of zullen 'beërven'.

Maar de term kan ook worden gebruikt om de komende heerschappij van God op aarde aan te duiden: het Koninkrijk wordt verwacht, men moet zich erop voorbereiden. Bij deze tweede reeks van teksten hoort de voorstelling van het catastrofale geweld waarmee het Rijk zich baan zal breken.

Daarnaast is er dan nog een derde manier van spreken: het Koninkrijk Gods is er al. Ze heeft tot een bekende controverse geleid in de theologie: moeten we van het Rijk Gods nu zeggen 'komende' of 'gekomen'? Volgens Sanders is 'gekomen' een specialiteit van Lucas. Hij moest zijn Griekse lezers wel tracteren op de catastrofes waarmee het Rijk zich zal aandienen, maar om hen niet al te erg aan het schrikken te maken, brengt hij enige verzachting aan, door de passage te beginnen met: 'het Koninkrijk is er eigenlijk al''. Lucas is de enige die dat heeft en dan nog in één tekststukje (Luc. 17, 20-37). Zouden de andere evangelisten zulke fundamentele informatie hebben weggelaten? Ondenkbaar.

God is het die het Koninkrijk brengt (niet mensen, ook niet Jezus) en Jezus vraagt van mensen dat ze zich voorbereiden op de komst ervan door het houden van Gods geboden. Dat laatste dan niet op de perfectionistische manier van de Bergrede ('I guess that it is Matthew'), perfectionisme past niet bij Jezus. Om meer dan één reden trouwens. God is barmhartig, Jezus (als zijn zaakwaarnemer) is dat ook, hij bewijst het in zijn optreden. Hij eet en drinkt met zondaars, hij doet dat als signaal van wat Gods Rijk aan mensen zal gaan herbergen: zondaars en bedelaars. Vandaar dat ze Jezus meer 'een vraat en een wijnzuiper' vinden dan een asceet (Matt. 11, 19). Een tweede reden: het Rijk Gods staat voor de deur, de tijd voor het opstellen van rigoureuze regels is voorbij. De ethiek van Jezus is interim-ethiek, haast maken om het met je buurman in orde te hebben, voordat de grote dag aanbreekt.

Nergens bieden de teksten enige steun voor de idee dat Jezus, zoals bepaalde Qumran-groepen, met het Koninkrijk Gods een politieke revolutie (al dan niet gewelddadig) op het oog had, of maatschappelijke hervormingen. Natuurlijk kun je zeggen (wat sommige onderzoekers doen) dat de evangelisten het maatschappelijke en politieke deel van Jezus' prediking met opzet hebben weggelaten en dat het aan ons is om dat weer terug te halen. Het is de enige keer dat Sanders echt uit zijn slof schiet. 'This assumes that we can 'know' things for which there is no evidence, while simultaneously 'knowing' that the evidence we have is based on total incomprehension. Such views merely show the triumph of wishful thinking'' (pag. 183).

Jezus verwachtte dat de hoorders nog bij hun leven de komst van de Zoon des Mensen zouden meemaken. De reconstructie van de bijstelling die deze verwachting in het Nieuwe Testament ondergaat, maakt dat historisch hoogst waarschijnlijk. Kort samengevat: na zijn dood en opstanding predikten zijn volgelingen dat Jezus zelf de Zoon des mensen was en dat zijn komst (nu dus 'wederkomst') voor de deur stond. Toen sommigen, zoals in Thessalonica, 'voortijdig' stierven, was er een verdere bijstelling nodig: sommigen zullen al gestorven zijn (daar is een oplossing voor), maar zij die nog leven, gaan 'de Heer tegemoet in de lucht' (1 Thess. 4). Als ook de laatste discipel van wie men dacht dat hij het nog zou meemaken, sterft (zie het verslag in Joh. 21, 21-23), wordt de noodzaak om bij te stellen compleet. Die definitieve bijstelling vinden we in de tweede brief van Petrus (3, 3-8): duizend jaren zijn bij God als één dag, God heeft een andere kalender dan wij. Deze revisie-geschiedenis maakt het uiterst waarschijnlijk dat een uitspraak als 'voorwaar ik zeg u, er zijn sommigen onder degenen die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken voordat ze de Zoon des Mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid'' (Matt. 16, 28) een authentieke uitspraak van Jezus is. Een lastig woord (hoe kan Jezus zich nu vergist hebben?) wordt gemakkelijk weggewerkt, tenzij het zulke papieren heeft dat je er niet aan kunt komen.

Wat Sanders over het verhoor van Jezus voor het Sanhedrin zegt, vind ik niet helemaal overtuigend. Dat geldt ook voor de manier waarop hij aandacht geeft aan de vraag of Jezus zijn dood nu als die van een 'slachtoffer' heeft gezien dan wel haar als 'offer' heeft opgevat. Jezus' laatste woorden ('Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?') vat Sanders op als een wanhoopskreet. Tot op het laatste moment hoopte Jezus op God, maar God kwam niet.

Of toch? Ik doel daarmee op de opstandingsverhalen. Wat Sanders erover zegt, spreekt mij aan. Om te beginnen de vraag wat er nu wel of niet gebeurd is. Bedrog (natuurlijk moet een historicus ook daaraan denken) is niet waarschijnlijk, want dan vertel je allemaal - per afspraak - hetzelfde verhaal en een van de grote problemen ten aanzien van Jezus' opstanding is dat de verhalen juist niet gelijkluidend zijn. Eerder denk ik aan een soort competitie, zegt Sanders, zo van 'ik zag hem eerst'', 'nee, ik was het''. Dat vijfhonderd mensen 'op eenmaal' Jezus zagen (Paulus vermeldt het in 1 Corinthen), wordt wel eens uitgelegd als massahysterie, maar waar komen dan die andere verhalen weer vandaan? Nee, er moet zoiets zijn geweest als opstandingservaringen, maar welke werkelijkheid aan deze ervaringen ten grondslag ligt, weten we niet. De vertellers evenmin: ze geven een ervaring weer die ze zelf niet begrijpen.

Volgens Sanders ontleenden de volgelingen van Jezus aan hun opstandingservaringen, hun zekerheid. De kruisiging was dus niet een mislukking, Jezus' leven en lot moesten anders worden uitgelegd. Maar hoe? Op dit punt beginnen de inkleuringen en verheerlijkingen van evangelisten en apostelen. Het zou interessant zijn na te gaan in welke samenhang ze Jezus plaatsen, want aan de samenhang waarin hij voorkomt ontleent iemand zijn betekenis. Maar Sanders blijft historicus en gaat op dit spoor niet verder.

Rest de vraag wat zijn zoektocht oplevert. Waarschijnlijk niet de onverdeelde waardering van de christelijke kerk. Van Jezus als de Christus blijft te weinig over als je hem in termen van een historicus brengt. Dat ligt ook voor de hand. Het is één ding om aan de uiteindelijke tekst van het Nieuwe Testament theologische vragen te stellen over de betekenis van Jezus voor het geloof, een ander ding als historicus uit te pluizen welke informatie deze tekst biedt over de figuur van Jezus. Maar om dat laatste, het historisch onderzoek, kan de christelijke kerk niet heen. Want wat het zonneklaar aantoont is de creativiteit van de christelijke gemeente: Jezus was niet de eerste christen, het christendom begint na Pasen. Zonder die creativiteit zou er alleen verkondiging van Jezus (indien al) en niet verkondiging over Jezus hebben bestaan. De vraag is alleen of ze zich uit het niets een Jezus-beeld heeft geschapen dan wel of er redenen geweest zijn (en nog zijn) om Jezus te zien zoals de christelijke kerk hem ziet.

Voor het stellen van dit soort vragen en voor de beantwoording ervan zijn boeken als die van Sanders onontbeerlijk.