Het ogenspel

Het is 's morgens de tijd van de Steenlopertjes. Het zijn er dertien, maar zij zien dat niet als een ongeluksgetal.

Het Steenlopertje heet hier, op dit eiland alleen, Verfdo di Boto, waarschijnlijk omdat hij, als enige van dit genre, nogal rode beentjes heeft en roodachtige vlekjes vertoont op zijn scherp getekende kleedje. Vandaar ook de Amerikaanse naam Ruddy Turnstone. Dat 'Turnstone' wijst op de hebbelijkheid steentjes om te keren om te kijken of er iets onder zit dat eetbaar is. Een soort Henk Hofland onder de vogels ('Tegels lichten'', ik leg het maar even uit). Komt ook uit de States

Omdat zij van ons brood krijgen - waar zij niet eens zò gek op zijn maar het geeft wat afleiding - denken zij dat wij aardig zijn en zij begeven zich tot onder de ontbijttafel om het terras af te zoeken. Als ik aan het water zit komt er wel eens eentje, ik denk steeds dezelfde, een nogal jonge, naar mij toe, terwijl de anderen een eerbiedige afstand bewaren. 'Kom dan maar'', zeg ik op aardige toon, en verdomd, hij doet een paar pasjes in mijn richting tot hij op een halve meter zit te kijken. Dat doet hij sindsdien elke dag.

Het spreken verbaast hem, terwijl mijn lijf hem toch met zorg vervult. Tussen Scylla en Charibdis staat hij op zijn rode o-beentjes, linkerbeentje een beetje doorgezakt en hij houdt zijn hoofdje scheef als een hond die een bekend woord hoort.

Het is natuurlijk ook moeilijk kijken voor zo'n vogel. Je moet je voorstellen dat aan je neus je mond zit, een lange harde tuit, die als je hand fungeert waarmee je alles oppakt en ronddraait en je hele blik, van de twee ogen die aan je slaap zitten, is om te focussen op die snavelpunt, een ietsje verder. De zijwaartse blik is om te zien of het allemaal wel pluis is, maar voor diepte-scherpte niks.

En nu zit hier de broodheer, met zoetgevooisde klanken die hun uitwerking niet missen. Als ik even niets weet lees ik een stukje uit 'Het ogenspel'' van Canetti voor. Dat lijkt me wel op zijn plaats. Maar wat bezielt die vogel?

Als we in de geschiedenis terugkijken dan zien wij veel mensen die met dieren spreken, meestal met vogels. Interesseert de vogel ons meer dan andere dieren vanwege het vliegen, vanwege de onschuld, de blijheid, het lichtvoetige? Zowel het Duitse als het Amerikaanse symbool is de adelaar, hoewel niet precies dezelfde adelaar. 'The eagle has landed'' was dan ook wat dubbelzinnig. Geen Steenlopertje. De vogel lijkt gewoon het meest aanspreekaar, en zij spreken soms terug.

Waar de Steenlopertjes zich nogal stil houden, krijgen zij vaak gezelschap van een luidruchtig echtpaar spotvogels, waar dit huis van is. Zij zijn allemaal even groot, alleen houden de spotvogels niet echt van brood. Meer van hardgekookt ei, maar daar houdt de oude hagedis ook van. De ene spotvogel is wel een durfal en zit me vaak vanachter een plant te bekijken. Hij wil ei, maar dat staat te dicht bij mijn stoel. Als ik doe alsof ik hem niet zie, snelt hij toe, pakt zijn stukje ei en gaat snel achter de plant zitten. terwijl ik mijn hoofd opzij buig zeg ik tegen hem: 'Ik zie je wel hoor, met dat ei.'' Hij kijkt dan, voor zover een vogel dat kan, bescheten.

Het zand waarop we zitten, naast de rots die in zee steekt, is door de mens aangebracht maar niettemin vol mieren en zo. De dertien Steenlopertjes ploegen dat letterlijk om, dat hele stuk, en eten de mieren, de randvliegen, hun larfjes en hun eitjes.

Om de dieren te behagen hebben we drie soorten water klaar gezet. Een borrelglaasje in het opgehangen bakje voor de suikerdiefjes en de gele zanger, een kommetje op de grond voor de Steenlopertjes en de spotvogels, en een schoteltje voor de hagedissen, waar de Steenlopers wel eens steentjes in gooien.

Je hebt de hoofdhagedis die de middelgrote concurrent op afstand jaagt, en een klein groen hagedisje dat met rust gelaten wordt en daarom denkt dat mensen ook tam zijn en dus gewoon op je stoel toe lopen (hij eet brood). Er is ook een miniem baby'tje van drie centimeter lang, inclusief staart, die in de buurt van de Steenlopers voortdurend twijgje speelt. Hij is te klein om ook maar iets uit mensenhand te eten.

Bij de Steenlopers is een ingewikkelde pikorde ingesteld. Bij het drinken zitten zij vrijwel in een rij en drinken nooit met twee tegelijk. Langzaam gaat de cue voorwaarts, terwijl de Verfdo als een mannequin het ene pootje voor het andere zet, dus een beetje om elkaar heen, waarbij zijn teentje rakelings langs zijn andere beentje scheert. Vanmorgen liep er eentje mank, maar na een uurtje was dat over.

Het kleine groene hagedisje, de kleuter zal ik maar zeggen, die nog alles mag, heeft wel te lange nagels aan zijn turquoise voetjes (alleen de achterpootjes hebben die zeegroene streep) maar hij heeft er geen last van. Als elke volwassen hagedis aait hij met één voorpootje door de lucht als hij staat na te denken, waardoor je kunt zien of hij links of rchts is. Het is een beetje een tic, alsof iemand met één hand op de tafel trommelt, maar zij hebben het allemaal.

Voor me zit nu de rij van dertien. Zij kijken allemaal naar zee, naar het westen, waar zij vandaan komen, want zij broeden aan de Poolcirkel, en zakken langs de Amerikaanse kust naar beneden, naar hier.

Opeens vliegen er elf weg. Twee blijven er verwonderd achter. Zij kijken naar elkaar en dan naar mij, maar ik weet het ook niet. Zit de schrik erin dat de anderen alweer op weg zijn naar het noorden? Je ziet de ongerustheid op de clownsgezichtjes, maar even later zijn de anderen weer terug. Ze kijken nu allemaal naar mij. Nu word ik onrustig. Wat moet ik zeggen? Even later lees ik 'Het ogenspel'' voor allemaal.