Fatale symbiose

De nieuwe jury van de AKO-literatuurprijs bestaat voor een aanzienlijk deel uit journalisten, of beter: journalisten die stukjes schrijven over boeken, en zo al gauw literair criticus heten.

Het tekent de fatale symbiose tussen schrijven als beroep en schrijven als roeping. De literatuur smeekt om de gunsten van de journalistiek - een boek bestaat niet zonder recensie, zonder interview, zonder talkshow. De journalist, anderzijds, waant zich halverwege de Parnassus als zijn oordeel wordt vereeuwigd op een achterflap. Recenseren is verslavend, want de criticus moet zijn reputatie steeds verversen. Hij wil een boek per maand, neen, een boek per week. Des te minder merkt hij dat hij roem oogst omwille van stukjes die niet blijven. Gelukkig lonkt de literaire jury. En zo versmelten twee werelden die niet meer willen weten dat zij anders zijn. De schrijver zoekt, als hij durft, een tijdloos gevecht met lezers. De journalist schrijft, als hij kan, voor eenmalige consumptie: 'He spreads,'' zoals de Engelsen zeggen, 'his small talent thinly over the pages.'' Soms ruik je onraad als je in de krant leest dat boeken 'boeiend', 'meeslepend' of 'fascinerend' zijn. Als die verbale onmacht straks in het rapport van de AKO-jury opduikt, weten we dat Somerset Maugham gelijk had toen hij noteerde dat er geen groter kwaad voor boeken is dan de journalistiek. Maar misschien geldt dat ook wel andersom.