'Er moet altijd worden gewonnen. Ook als het niet meer nodig is'

De fascinatie voor pingpong. Tien jaar was JAN VLIEG bondscoach en technisch directeur van de tafeltennisbond. Hij boekte aan het einde van die periode de grootste successen. Maar er is geen plaats voor de sfeer van vrijblijvendheid. Fascinatie en honderd uur per week werken is niet voldoende. Over de filosofie van tafeltennis, over walgen en winnen en zijn toekomst als ideëel directeur.

De duisternis is binnengeslopen. Lange reeksen van woorden zetten de toon in een schimmenspel als plotseling iemand een lamp aansteekt. De benen gaan van tafel. Binnenstormende kinderen worden met dringende hand en harde woorden teruggestuurd. De mystieke balans is verstoord. De wereld is hard onder kunstlicht.

Een uitgeleefd huis in een Gronings rijtje dient als tafeltenniscentrum. Boven een paar speeltafels hangt een dak, waarvan een deel door een recente storm is weggevaagd. De muren zijn gescheurd, omdat het fundament niet goed is gelegd. Eigenlijk staat het huis op instorten. Zoals zijn leven als trainer.

Maar de blues verdient geen aandacht, de melancholie is er voor andere momenten. “De keus is: ga je voor die vijftien pingpongers de zaak verbouwen of verkoop je de tent? Alleen de reparatie van het dak kost al dertigduizend gulden. Ga je investeren? Nu word ik nog een beetje gesteund door de samenleving. Maar als dat over anderhalf jaar is afgelopen, dan moet ik iets in de sport.”

Jan Vlieg en zijn broer Anne gaan op zoek naar duizend sponsors van honderd gulden. Zestigduizend gulden willen ze investeren in een “fatsoenlijk” trainingscentrum, de rest van de opbrengst willen ze besteden aan een “fantastisch” gala-feest met tafeltennissterren en rockbandjes. “Waar de mensen later over blijven praten. Waar ze kunnen deinen en zat worden.”

De “hele noordelijke top” traint bij Vlieg. “Voor een fooi worden kampioenen gemaakt. Bettine Vriesekoop valt hier regelmatig binnen om bij te tanken. Ik heb het gevoel dat in Nederland veel meer getraind moet worden. Ik wil de ruimte geven om dag en nacht te trainen. Er moet hier een topsport-tafeltenniscentrum komen. Dan kunnen mijn grote vrienden bij de tafeltennisbond niet meer om ons heen.”

Verbittering of rancune jegens de tafeltennisbestuurders die hem begin dit jaar wegstuurden na tien jaar als technisch directeur en bondscoach, onderdrukt hij. Hij wil winnen, hij is altijd al gedreven geweest. “Een paar jaar geleden heb ik hier zeven weken de juniorenploeg voor de voorbereiding op het Europees kampioenschap gehad. Die zijn hier ingetrokken. Ik werd er gestoord van. Mijn vrouw moest naar het ziekenhuis voor een kleine operatie. Ik had hier nog eens drie kleine kinderen rondlopen. Toen mijn vrouw thuiskwam heb ik haar het huis uitgeschopt. En neem alsjeblieft de kinderen mee, heb ik gezegd. Het is hier een trainingscentrum, geen revalidatiecentrum.”

Op een vrije dag heeft hij volledig uitgeput en uitgestrekt naar de Wimbledon-finale zitten kijken, als een zombie. “We hebben met die jongens geploegd en gepleurd. 's Ochtends liep ik als een ober door het huis. We zijn tweede geworden met de jongensploeg op de Europese kampioenschappen. Jongens die nu een ongelooflijk grote waffel hebben, zijn hier tot grote prestaties gebracht. Alleen Bettine Vriesekoop en Paul Haldan waarderen dat nog.”

“Wat wil jij daar nu mee zeggen? Hoor je mijn opvolger nu brallen. Terwijl de bond een trainingskamp van niet langer dan een week aanbiedt. Daarmee kom je nergens in het internationale tafeltennis. Trekken ze Gajic aan als damescoach. Elke insider heeft zich kapot gelachen voordat hij hier überhaupt was. Die vertrok dus weer na twee maanden. Nu is het een gigantische puinhoop. Centrale trainingen worden slecht bezocht, dus gaan ze die verplicht stellen. Ik vind niet per se dat ik bondscoach moet zijn. Maar als ik dan lees dat de voorzitter zegt dat ze de sfeer van vrijblijvendheid van Vlieg niet terugwillen, word ik ontzettend kwaad. Als je tien jaar met hart en ziel bent bezig geweest, dan wordt dat vrijblijvend genoemd. Honderd uur per week, is dat vrijblijvend?”

Ach, verzucht hij bij zoveel onbegrip. “Het is allemaal te stom voor woorden.” Onder zijn leiding leverden de Nederlandse tafeltennissers in 1992 de beste prestaties op een Europees kampioenschap. Bettine Vriesekoop werd kampioen, Mirjam Hooman derde, het vrouwenteam werd tweede, het vrouwendubbel tweede en het mannenteam eindigde nog nooit zo hoog, vijfde. “Het is de terreur van de onwetendheid”, noemde hij het bondsbeleid. Hij heeft er nooit een woord van teruggenomen.

“Ik ben niet verbitterd. Maar ik begrijp niet dat ze niet luisteren naar Vriesekoop, maar wel naar mensen uit het derde echalon. Als je topsport aanhangt luister je eerst naar Vriesekoop. Zij is een topsporter in hart en nieren. Zij is nog steeds het beste voorbeeld in de trainingszaal en wordt genegeerd. Zorg voor een topcoach en niet voor een willekeurige Jan Lul, als symbool voor 'dat niet het slechter kon dan het geweest is'. Daaruit spreek een gigantische onwetendheid. Die hangt als een bedreiging voor de tafeltennissers.”

Hij kan leven met conflicten. Omdat die onlosmakelijk verbonden zijn met een eeuwige strijd als topsport. Maar hij kan niet leven met “onzin”. “Ik heb Li hier anderhalf jaar te eten gegeven. Men zag hem niet zitten. Er is gesuggereerd: Vlieg haalt Li om zijn eigen zwaktes te camoufleren. In zekere zin wel. Want we hebben specifieke Aziatische kennis nodig. Nu heeft hij een driejarig contract als mannencoach.”

Hij staat op en gaat voor door een smal gangetje dat naar het trainingszaaltje leidt. Hij duwt een deur open en toont een hok van drie bij drie meter. Er staat een bed, een stoel en een kast. In de muur is provisorisch een raam gemaakt. Hij moet toch frisse lucht hebben. “Hier is Li begonnen. Speciaal voor hem gebouwd. Ik hem hier naar toegehaald. Ik heb hem uit China weggehaald omdat hij om politieke redenen daar weg wilde. Zijn vader is daar tijdens de culturele revolutie in gevangenschap gestorven. Mijn vrouw zei: 'Wat krijgen we nou? Geen Chinees in huis.' Na drie dagen maakte ze zich al zorgen als hij na de wandeling die hij elke avond maakte wat lang wegbleef. Ik word liever door deze topcoach uit China gerespecteerd dan door wie dan ook in Nederland. Er zijn mensen die hem uit mijn invloedsfeer willen halen. Die weten niets, die weten niets van onze relatie.”

Geobsedeerd door tafeltennis, maar niet altijd geweest. Hij beheerste als jonge jongen alle sporten redelijk, maar geen enkele goed. Op de lagere school in Medemblik speelde hij wel eens pingpong. Gefascineerd was hij wel meteen al door een bepaald soort batje. Dat vreemde eraan. Later toen hij met zijn ouders naar Middelstum in Groningen verhuisde, keek hij eens tot diep in de nacht naar de Duitse televisie. Het was een reportage van een of ander wereldkampioenschap tafeltennis. Toen werd hij pas echt getroffen.

Hij vraagt zich wel eens af waar die fascinatie voor pingpong vandaan komt. “Ik weet het niet. Wat mij boeit is de gigantisch hoge moeilijkheidsgraad. Dat is wat ik kan rationaliseren. Plus het gevoel dat hij het altijd beter kan. De hoge moeilijkheidsgraad zorgt voor een permanente uitdaging. Je beheerst dat spel nooit.”

Met zijn broertje richtte hij in Middelstum de club Midstars op. Ze reisden het hele land door voor competitiewedstrijden. “Pitstra, Anne en ik voerden verschrikkelijke discussies in de trein. We analyseerden en maakten ruzies. De mensen liepen weg uit de coupé. Op basis van die 'zeg maar analyses' - we hadden geen trainer - promoveerden we nonstop naar de eredivisie.”

“Een toptafeltennisser is een superatleet van in zijn kop tot in zijn tenen. Tegelijkertijd is het een concentratiesport, een Aziatische vechtsport. Het heeft iets religieus, een filosofisch karakter. Zenboeddhistisch. Aan de hand van het karakter van het spel kom je tot een bepaalde oefenstof en tactische inzichten. Stel het op één lijn met karate en yoga, waar ook concentratie- en ontspanningstechniek voor nodig is.”

“Zoals karate is tafeltennis een snelkrachtsport. Snelle explosies die herhaald moeten worden in een lange rally. In een rally sla je als het ware zoals een karateka zeven keer een tafel doormidden, zonder jezelf pijn te doen. En daarna moet je een nieuw gevechtsplan maken. Opnieuw die techniek, die beheersing van ademhaling, concentratie en lichaam.”

“Veel tafeltennissers komen niet verder dan het analyseren van hun eigen probleem. Die zien niet meer de problemen van hun tegenstander. Als je als spelers niet met jezelf in balans bent, ben je alleen met je eigen problemen bezig. Dat is zo moeilijk aan dit spel. Je hebt concentratie-oefeningen nodig. Rust brengen wanneer dat nodig is. Tafeltennissers slapen soms niet. Ja, je zou er gek van worden. Ik heb gehoord dat het in Rusland ooit verboden is, omdat tafeltennis niet goed is voor de psyche.”

“Er onstaan momenten dat je begint te walgen, de totale walging. Vriesekoop kan soms volledig de weg kwijt zijn, omdat ze begint te walgen van haar produkt. Die heeft een totaalbeeld in haar kop. Die kan dan walgen zoals McEnroe dat kon. Gevoelsspelers die perfectie nastreven in hun techniek. Zo esthetisch, technisch en atletisch Vriesekoop kan spelen, zo kan ze walgen als het er niet uitkomt.”

“Dat heeft niets met training te maken. Je kunt gek worden zoals dat kleine balletje verraderlijk kan draaien en soms als een granaat op je afkomt. Je moet het spel volledig dicteren en controleren, anders vliegt de bal je om de oren. Het is geen reactiespelletje. Het is een denkspel dat met technische, atletische, tactische en psychische middelen moet worden geperfectioneerd. Tafeltennissers moeten ageren. Acties maken. Reageren is achter de feiten aanlopen.”

“Dat Aziatische vechtsportidee is ook de reden waarom Europeanen zich aanvankelijk door Chinezen lieten imponeren. Die vreemde penhoudergreep en die ondoorgrondelijke uitstraling. Die kamikaze-mentaliteit. Nu kan iedereen het. Aan de hand van video's is het geanalyseerd. De Chinese suprematie verdwijnt. De fysieke component van de Koreanen breekt door, de zelfkastijding. Waar de Chinezen een scala aan techniek en filosofie hebben, hebben de Koreanen een scala aan fysieke strijd waar je koud van wordt. Ze laten zich slaan door trainers, ze slaan zichzelf. Zelfkastijding zie je bij alle Koreaanse sporters.”

Vlieg studeerde sociale geografie, met name historische geografie. Zoals hij zegt: “Ik wilde altijd al weten hoe deze aardkloot in elkaar stak. Ik weet er iets van. Over de Chinese zelfdiscipline bijvoorbeeld. Zoals Vriesekoop het als eerste opbracht. Die werd eng en gek gevonden. Nu willen ze allemaal zo worden. Van Li heb ik veel opgestoken. Fascinatie vormt je. De manier waarop ik tafeltennis beleef is een soort synthese tussen het technisch volmaakte Europese spel en de Aziatische filosofie en uitstraling. Ze kunnen mij nooit aanwrijven dat mijn teams niet gevochten hebben. Werd er niet gevochten, dan was er ruzie in de tent.”

“Ik ben altijd de wei ingegaan om op het scherpst van de snede te spelen. Wat mij betreft vallen er woorden. Als ik een spelletje scrabble speel, dan wil ik winnen. Gezellig, prima, maar als de dames tijdens het spel gaan praten over lieve konijntjes, word ik woedend. Niet snel een woordje van twee letters neerleggen, waarvoor je maar twee punten krijgt. Nee, een zo lang mogelijk woord met zoveel mogelijk punten. Het onmogelijke bereiken. Dat is de uitdaging. Er moet te allen tijde worden gewonnen. Ook als het niet meer nodig is.”

Jonge mannen en jonge vrouwen druppelen het kamertje binnen. Het zaaltje dient als kleedkamer annex therapieruimte. Er moet weer getraind worden. “Ik ga me nu drie maanden uitsloven. Ik spring iedereen op zijn nek voor honderd gulden. Ik zou naar China moeten gaan, zegt Li. Ik zou een boek moeten schrijven over het karakter van het spel. De tafeltennisschool loopt goed, maar je kunt er niet van leven. Zo ben je bondscoach, zo ben je werkeloos.”

Hij gaat staan, trekt zijn trainingsbroek aan en kijkt om zich heen. “Dit wordt de directiekamer. Li directeur buitenland, Anne commercieel directeur en ik ideëel directeur.”